Excelleren

De zomerperiode is altijd een mooi moment voor bezinning, terwijl we leven in een wereld, die iedere dag meer van ons lijkt te verlangen. Alles moet perfect zijn, of niet toch? We willen het beste zonder dat het andere mensen schaadt. Zijn we daar niet allemaal mee bezig, al dan niet bewust? Excelleren, dat willen we: erboven uitsteken, anderen overtreffen of ergens in uitblinken.

Zelf maak ik het bijvoorbeeld graag iedereen zoveel mogelijk naar de zin. Bijna dwangmatig… Het volgende feestje (ja, ja, volgend jaar 50) moet nog bijzonderderworden dan de vorige versies. Dat zal een uitdaging zijn, want m’n laatste Brazilian Party op 13 juni tijdens de wedstrijd Nederland – Spanje (WK 2014) zullen velen zich nog wel herinneren, al was het maar vanwege de uitslag van de wedstrijd of dat ene doelpunt van Van Persie.

Ook Messi en Ronaldo wilden graag excelleren tijdens het recente WK voetbal. Het lukte ze even niet om op het juiste moment te pieken. Dat betekende dat we ruim vier weken moesten kijken naar een stel Engelsen (football is not coming home – hier geestige parodie), hard bikkelende Kroaten (met kusje van Vida), mooi voetballende Belgen (ik vond Hazard de beste van iedereen – hij zelf ook) en natuurlijk de arrogante Fransen (ze kunnen zelfs niet normaal feest vieren). Nu hunkeren we allemaal weer naar een mooi Oranje momentje. Dat zal waarschijnlijk heel wat jaartjes gaan duren als we “de Staat van Oranje” (goede 4-delige documentaire over de crisis, waarin Nederlandse voetbal zich bevindt) mogen geloven.

Voor een wielerliefhebber – met name door het zelf beoefenen van de wielersport – zijn twee achtereenvolgende etappeoverwinningen van Dylan Groenwegen al redelijk uniek (nr 1 en nr 2). Raas en Zoetemelk waren de laatsten die dat presteerden. Je ziet ze nog zo voorbij komen in hun TI-Raleigh shirt. Over de “Posttrein” is ook een mooie documentaire gemaakt. Nu hebben we gelukkig Dumoulin, die voorlopig ook in de Tour de France nog steeds z’n mannetje staat in het klassement. Wat ik denk over doping in de sport, heb ik hier al eerder beschreven.

Ik probeer op mijn manier ook mijzelf continu te overtreffen op de fiets met als enige hulpmiddel afentoe een Gin & Tonic. Mijn favoriete app Strava helpt me hierbij. Per segment (afgelegd stukje asfalt) kan je zien of je je eigen beste tijd hebt overtroffen. Dan scoor je een “PR’tje” (persoonlijk record). Nog mooier is een KOM (“King Of the Mountain”); dit betekent dat je de allersnelste ooit bent op een bepaald weggedeelte. Er bestaat zelfs een Strava KOM hunters club en sommige mensen raken er bezeten door. De begeerte om iedereen te willen overtreffen (op de fiets dus)…

Heb trouwens lang gedacht dat het bekende spreadsheet programma “Excel” ook iets te maken had met excelleren. Dit nog steeds populaire programma bestaat in haar huidige vorm al sinds 1987. Jawel, precies mijn eindexamenjaar. Met recentelijk in m’n omgeving veel geslaagden examenkandidaten in m’n vriendenkring (kinderen van…) moest ik regelmatig weer even aan die “vrije” periode denken. Het is ruim 30 jaar geleden, maar staat me goed voor de geest. Natuurlijk komt dit ook door de vergelijking die je zelf continu in je hoofd maakt tussen je eigen gedragingen toen en die van je kinderen (in dezelfde leeftijdsfase) nu. Het jezelf overtreffen (in alle opzichten) lijkt voor de jeugd van tegenwoordig steeds meer de leidraad van hun leven. Waar gaat dat naartoe?

Gebruik Excel trouwens nog altijd regelmatig, zowel zakelijk, maar soms ook privé. Voor het maken van een afrekeningetje voor een vriendentrip heb je gelukkig een hele handige & eenvoudige app tegenwoordig, maar voor het overzichtelijk houden van de vakantieplanning van m’n dochters kon ik toch echt wel een “excelletje” gebruiken.

Er bleven welgeteld precies tien gemeenschappelijke dagen voor het gezin over om met z’n vijven iets te doen. Het is duidelijk dat we met onze tienerdochters een nieuwe fase ingaan. Daar is niks mis mee. Kan er juist erg van genieten dat iedereen andere interesses heeft en daarmee een eigen weg inslaat. Dit alles biedt ook weer ruimte om 1 op 1 iets met één van je kinderen te doen. Jullie raden het al. Ik ga met m’n jongste een groot stuk van het Pieterpad fietsen om te eindigen in Groningen. De stad waar ik in de jaren negentig zo’n vier jaar heel erg genoten heb van m’n vrijheid. Excelleren en excessen liggen soms dicht bij elkaar. Dat is overigens niet echt veranderd. Alleen het woord “Vindicat” is al voldoende om dit duidelijk te maken.

Misschien heb ik aan die tijd wel m’n eerder genoemde dwangmatigheid overgehouden om maar niks leuks te willen missen en ieder blij te maken. Heb ondertussen wel uitgevonden dat je dat alleen kunt bereiken door uit te blinken in vrijheid. Als je jezelf zoveel mogelijk flexibiliteit gunt, heb je de luxe om “last minute” keuzes te kunnen maken. Dat betekent tegenwoordig dat je je agenda zoveel mogelijk vrij moet houden. Goede vrienden, die dit lezen, zullen nu wellicht even met hun ogen knipperen, maar ik probeer echt m’n agenda leeg te houden. Dus geen etentjes met vrienden maanden vantevoren inplannen, maar “hopen” op een spontane date op ’t laatste moment. Je wilt immers toch altijd het liefste zijn op de plek die je zelf verkiest. Dus zo min mogelijk verplichte nummertjes, en liefst géén pijnlijke “afzeggingen”… Totnutoe valt het reuze mee met m’n sociale isolement.

Tegenover deze vrijblijvendheid staat, dat als ik zelf een tripje ofzo regel (zeker voor een groter gezelschap), er altijd voor zal zorgen dat niemand iets zal missen van de “actie”. Heb zelfs de neiging (lees: hele sterke drang) om in andermans gezelschap een dwingende houding aan te nemen. Begrijpelijk wordt dit niet altijd op prijs gesteld en vaak ook geridiculiseerd. Een mens is nooit te oud om te leren (heerlijke dooddoener, maar wél waar).

Stel voor dat we gewoon allemaal excelleren in vrijheid. Iedereen mag zelf bepalen, hoe hij of zij invulling geeft aan ‘t leven. Lekker pûh!

Parijs is nog ver…

Daar kom je pas achter als je er een keertje op de fiets naartoe bent gegaan. Het is en blijft een fantastische stad, hoe je er ook komt.

In mijn geval kwam ik er voor de eerste keer als kind. Je “beklimt” dan natuurlijk de Eiffeltoren. Meneer Gustave Eiffel heeft destijds in 1889 toch een mooi bouwwerkje gerealiseerd voor de wereldtentoonstelling. In begin vond men het trouwens zo lelijk dat men het als schroot wilde verkopen. Als kind is het hartstikke spannend om de 1652 treden (vanaf de 2everdieping) naar boven te bestijgen. Iedereen, die een keertje bovenin heeft gestaan, herinnert zich ook ongetwijfeld het oneindige uitzicht over de stad.

De tweede keer was natuurlijk met een eerste vriendinnetje. Ook toen mocht een beklimming niet ontbreken. Hoe romantisch. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bijna 6 miljoen mensen jaarlijks hetzelfde doen. Bedenk overigens dat ook de rondvaartboten in Amsterdam jaarlijks ruim 4 miljoen bezoekers trekken; na de Efteling met 4,7 miljoen de grootste attractie van Nederland. Da’s dus ook best serieuze attractie. Vraag me af of jullie allemaal weleens door de Amsterdamse grachten zijn gevaren in zo’n bootje. “Als u naar links kijkt, ziet u het smalste huis ter wereld.” Hiermee verraad ik mijzelf; ik ben dus weleens mee geweest met zo’n rondvaart.

Maar zoals gezegd, ik ben er heel vaak geweest. Had ooit geïnvesteerd in een Frans bedrijf met Nederlandse roots, Vive la Récré (aan de naam lag het dus niet), dat actief was in de realisatie van kinderspeelhoeken bij winkelketens, zoals opticiens, fastfood restaurants en dergelijke. Helaas heeft de investering het niet gered; de uitvoering was moeilijker en de concurrentie groter dan gedacht. Reisde dan overigens meestal met de TGV, die in steeds kortere tijd de afstand van hier tot aan de Franse hoofdstad kon overbruggen. Heel vroeger ging je meestal nog met de auto. De Boulevard Périphérique was en blijft altijd een mooie uitdaging voor de Hollandse automobilist. Da’s toch iets anders dan beetje filerijden op de A2. Er is overigens géén Franse auto te bekennen zonder allerlei butsen en deuken erin, en als je er paar dagen rondrijdt begrijp je ook waarom. De Fransen lijken hun bumpers te gebruiken waarvoor ze ook bedoeld zijn, namelijk botsen. Zeker bij het parkeren is het gebruikelijk om de voor- of achterbuurman een klein “zoentje” te geven. Misschien heeft het met de Franse romantiek te maken…

Eerder vertelde ik hier al dat wij ons eerste Kunstwerk in Parijs kochten. Met een vrouw aan m’n zijde, die er als au pair een jaar heeft gewoond en de Franse taal vloeiend spreekt (al zal ze dat zelf ontkennen), is het heerlijk toeven in deze wereldstad. Nog steeds komen wij er regelmatig, meestal tijdens de Paris Photo. Dit is de grote jaarlijkse fotobeurs. Hoewel het niet direct de plek is om fotografie te kopen (de topwerken zijn onbetaalbaar) is het wel fantastisch om in het Grand Palais rond te lopen. Het schouwspel van de krioelende mensen, die zich vergapen aan elkaar en fotografie, terwijl je je ondertussen laat inspireren door bijzondere foto’s. Een schitterend excuus om samen of met vrienden naar Parijs te gaan dus. Deze stad heeft zoveel te bieden, voor m’n vrouw en dochters vooral shoppen, maar natuurlijk ook alle musea. Het belangrijkste blijft toch wining & dining. Bedenk wel dat de hotelkamers in Parijs  – ongeacht de prijs, zoals bijvoorbeeld Hotel Costes, ondanks dat een aanrader – altijd klein zijn en de bedden zonodig nog kleiner, zodat ík zelfs het gevoel krijg “lang” te zijn als m’n tenen weer eens uit het bed steken.

Een tripje Parijs kan soms ook veel impact hebben en daarmee een onuitwisbare indruk maken. Zeker als je op de dag van de aanslagen (13 november 2015) in deze stad vertoeft. Het was heel bizar. Wij zaten met een groot gezelschap – denk wel 40 mensen – die allen aan elkaar verbonden waren door interesse in fotografie in een “buitenwijk” (het 18e arrondissement) te eten in een achteraf gedeelte van een restaurant. Pas nadat enkele mensen uit het gezelschap, waaronder ikzelf, berichten uit Nederland ontvingen dat er meerdere aanslagen gaande waren, werden we ons enigszins bewust van de situatie, waarin we ons bevonden, namelijk een “oorlogsgebied”. De restauranthouder probeerde iedereen tot rust te manen, vanzelfsprekend was ondertussen de televisie aangezet. Vanwege het feit dat er meerdere aanslagen volgtijdelijk plaatsvonden, heerste er grote onzekerheid wat te doen en waar te gaan. Het was bijzonder om te zien welke keuzes mensen maken in zo’n situatie. Wil je zo snel mogelijk terug naar je huis of hotel, ook als dat dichtbij de plek van dood en verderf is. Dit leek ook praktisch onmogelijk omdat alle metrostations waren ontruimd en de meeste wegen waren afgesloten.

Dat was in ieder geval niet wat wij wilden. Gelukkig hadden we allebei onze legitimatie op zak, dus konden de stad als we wilden direct verlaten. Dit was zeker een serieuze optie. Wij kozen er eerst voor om nog even achterin het ogenschijnlijk “veilige” restaurant af te wachten. Naarmate de avond vorderde leek de angst voor nieuwe aanslagen enigszins weggeëbd te zijn. Buiten was het overigens totaal verlaten. Met wat telefoontjes hadden we op loopafstand – in praktijk een behoorlijk stuk – nog een hotel gevonden om de nacht door te brengen. Urenlang hebben we gekeken naar de televisiebeelden van de aanslagen – géén oog dicht gedaan vanzelfsprekend – waarbij toen pas de omvang van het ongekende slachtveld dat door deze terroristen was achtergelaten duidelijk werd, amper bevattend dat dit op slechts enkele kilometers afstand van ons had plaatsgevonden. De volgende dag leek alles al weer bijna “normaal”. Het was weliswaar ontzettend rustig op straat (ook géén politiemacht te zien) en zelfs bij het geplande vertrek met de Thalys naar huis, zagen wij géén hectische taferelen. In zo’n wereldstad gaat het leven blijkbaar gewoon door. Toch doet het iets met je. Zo verwoordde ook een goede jeugdvriend van mij, die journalist is voor de Financial Times en al jaren in Parijs woont, op treffende wijze.

Desalniettemin blijft deze stad ongekend populair (kijk maar naar de huizenprijzen), en ik begrijp ook wel waarom. Het is met name de grootsheid, die zo’n indruk maakt. Dat merk je zeker als je met zes man op een racefietsje de stad komt binnenpeddelen. Na de start in Maastricht, de 1e dag ruim 100 kilometer door de Ardennen met pittige klimmetjes, de 2e dag vanuit Dinant 165 kilometer over schitterende paden door een prachtig glooiend landschap richting de Franse grens, om de 3e dag af te sluiten met 175 kilometer meanderend naar de Eiffeltoren.

Het waren misschien wel die laatste 30 kilometer door de “outskirts” van Parijs, die het meest heftig waren om te fietsen. Onder de opstijgende vliegtuigen bij Charles des Gaules Airport door, over “verkapte” snelwegen, waar auto’s met ruim 100 km/uur voorbijraasden, zagen wij in de verte de karakteristieke stalen kolos opdoemen. En toen bleek ook de Champs-Élysées nog best ver te zijn, maar we zijn veilig en met name trots en voldaan aangekomen, een onvergetelijke fietstocht….

Kantelmomentje

Die zijn er in alle soorten en maten. Uiteraard heb ik – netals iedere rechtgeaarde econoom – ooit de bestseller “The Tipping Point” van Malcolm Gladwell (2000) gelezen, waarin hij aangeeft hoe kleine zaken grote impact kunnen hebben. Grote veranderingen in de samenleving kunnen dus heel onverwacht komen. Gladwell beschrijft dit aan de hand van ideeën, meningen en produkten, die zich pijlsnel als een epidemie verspreiden totdat het heel groot is.

Met een smartphone in onze broekzak en alle sociale mediakanalen lijkt het steeds “makkelijker” om een kritische massa te bereiken, die een verandering in gang kan zetten. Als de steen eenmaal over de heuvel is, dan is deze niet meer te stoppen. Toch worden we – in het licht van lange termijn trends – keer op keer verrast door dit soort kantelmomenten. Wanneer krijgen we de volgende wereldwijde recessie? Je kunt er gewoon op wachten.

Technologische ontwikkelingen gaan ook vaak sneller of juist langzamer dan menigeen denkt. Kijk bijvoorbeeld eens naar de ontwikkeling van de elektrische auto, die overigens rond de vorige eeuwwisseling al bestond. Jaren geleden werd de doorbraak ervan al voorspeld, maar tot op heden is slechts 1,4% van het Nederlandse wagenpark elektrisch of hybride. Dit is ook nog eens in belangrijke mate gestimuleerd door fiscale douceurtjes. Natuurlijk zijn de verwachtingen nog steeds dat we ooit allemaal elektrisch rijden. Een meerderheid van de Nederlandse bevolking staat daar positief tegenover. Daarnaast is rijden zonder uitstoot bijna noodzakelijk om aan de gestelde klimaatdoelen te voldoen. Vooralsnog is er echter nog géén sprake van een echte doorbraak in elektrisch rijden. Het is simpelweg nog te kostbaar in aanschaf (ondanks alle subsidies). De autorevolutie gaat blijkbaar hand in hand met de energierevolutie. Elektriciteit komt steeds meer uit zon en wind. Er is een sterke toename van eigen energieopwekking. Als je in de toekomst ook nog aan je elektrische auto zou kunnen verdienen door als opslagstation te dienen voor elektriciteitsbedrijven, dan kan het snel gaan. Hoewel eerst nog ons huidige wagenpark van ruim 8 miljoen auto’s “geruimd” moet worden. Over duurzaam gesproken…

Zelf had ik vorige week ook even een eigen kantelmomentje, ik werd namelijk 49. Als ik m’n omgeving moet geloven “geniet nu het nog kan, want volgend jaar word je 50” alsof dat het einde van wereld zou betekenen… Of de opmerking “je bent bijna op de helft”. Da’s statisch gezien onzin natuurlijk. De levensverwachting van een man die in de zestiger jaren is geboren, bedraagt nu ongeveer 71 jaar. Oké, als je vandaag als jongetje wordt geboren, mag je al verwachten 80 te worden. Voor vrouwen zijn de vooruitzichten nog beter, hoewel veel vrouwen van mijn leeftijd nu al klagen over de overgang. Pfff.

Zo benader ik m’n opkomende leeftijdsmijlpaal maar gekscherend – in lijn met m’n gestaakte studieavontuur –  zo: “volgend jaar word ik 18 met 32 jaar ervaring”. Je kunt het een “midlifecrisis” noemen, maar ik heb begrepen dat niet alleen mannen in deze periode hun vrouw willen inruilen voor een veel jonger exemplaar én daarbij een Harley of cabrio kopen, maar ook vrouwen zoeken frisse en fruitige jonge mannen met sexy baardjes en een sixpack. Zelf schijnen ze dan ook te willen verjongen, gaan plotseling fanatiek sporten en duiken de wereld van botox in. Dat gebeurt op steeds jongere leeftijd. “Booming industry” dus. Dat soort ingrepen hoeft van mij helemaal niet, ben juist zo heel gelukkig met m’n vrouw.

Dat is in de praktijk niet vanzelfsprekend. Het percentage echtscheidingen ligt rond de 40%. Schrikbarend hoog. Tuurlijk zie ik ook het ideaal van de eeuwige liefde en blijf ik het liefst voor altijd jong. Ondertussen komen toch de eerste grijze haren er doorheen en is het sixpack al jaren ver te zoeken als ik het überhaupt ooit had. Een baard laten groeien, dat is me dan weer wel gelukt. Eigenlijk willen we allemaal dat het leven een eeuwigheid duurt. Dit kan je volgens mij het beste omschrijven als tijdloosheid. We willen stil blijven staan. Dat is best merkwaardig, want om ons heen veranderd de wereld, en in dat kader wordt stilstand altijd als achteruitgang gezien.

Misschien is het voor zowel mannen als vrouwen een romantisch ideaalbeeld van altijd en eeuwig jong (en mooi) blijven. Er zijn om ons heen altijd jongere en mooiere mensen te vinden. Dichtbij zie ik onze eigen jonge kinderen, nu nog tieners. Deze meiden hebben nog een heel leven voor de boeg. Uiteindelijk doorlopen we in het leven allemaal dezelfde stappen van jong naar oud. Er zijn altijd mensen van achttien, negentien, vijfentwintig en ga zo maar door. Het lijkt daardoor of iedereen stilstaat en wij als enigen wél ouder worden. Natuurlijk zijn het steeds andere mensen die achttien zijn. Het is dus gelukkig maar een illusie.

Daarom geniet ik op dit moment erg van onze eigen opgroeiende kinderen. In hun hele doen en laten zijn het kopieën van jezelf, heerlijk om die spiegel voorgehouden te krijgen. Zo worden ook nu op school de kantjes er van af gelopen. In plaats van de boeken voor de boekenlijst te lezen, worden films bekeken (zoals ik ook deed vroeger) of tegenwoordig een luisterboek afgeluisterd. Precies uitrekenen welk cijfer je mag halen om toch nog net voldoende te staan. Voor de kinderen komt de toetsweek er aan; vroeger heette dat nog proefwerkweek, maar het principe is hetzelfde. Met de minimale inspanning voor het maximale resultaat gaan. Ook de grenzen wat betreft (te) laat thuiskomen worden opgezocht. De drang naar vrijheid is groot. Het is allemaal hartstikke herkenbaar. Ondertussen worden de plannen voor de vakantie al gesmeed. Het liefst alleen met vriendinnen naar Knokke of Albu (dat is afko voor Albufeira). Dat idee proberen we nog in goede banen te leiden. Heb voor deze zomer zelfs een spreadsheet gemaakt om nog precies te weten op welk moment, wie waar is en wanneer we met z’n allen als gezin samen zijn in de vakantieperiode. Eén voordeel van alle nieuwe communicatiemiddelen is dat het contact veel makkelijker te onderhouden is. Via allerlei “posts” op insta zie je afentoe nog wat van elkaars avonturen. De plannen zijn groots. Zo kunnen we alles “meebeleven”.

Een echt kantelmomentje voorzie ik echter als onze kinderen straks (het duurt gelukkig nog zo’n 4 à 5 jaar) het huis uit zijn. Het befaamde “Empty Nest Syndrome”, oftewel het lege-nest-syndroom. We zullen de streken van onze meiden nog eens gaan missen…

Brandschoon

Om te beginnen heb ik ervaren wat het als beginnend blogger betekent gestrand te zijn met een schrijversblok. Het ontbrak mij simpelweg aan energie en inspiratie om iets op papier te krijgen. De reden van deze kleine inzinking was echter evident. Na ruim vijftien jaar moest ik noodgedwongen de deuren van m’n geesteskindje sluiten, het ondergrondse speelpark TunFun in hartje Amsterdam.

Hoewel hier al deze jaren ondertussen al honderdduizenden Amsterdamse kinderen hebben gespeeld, was de gemeente Amsterdam – op aangeven van de brandweer – plotsklaps van mening dat de brandveiligheid niet in orde was.

Men had nieuwe inzichten gekregen met betrekking tot de wijze waarop men dit soort ruimtes beoordeelt. Voor iemand die er nog nooit geweest is, TunFun is gevestigd in een oude (betonnen) autotunnel, die eind jaren zestig gebouwd is (met destijds moderne technieken), gelegen aan het Mr. Visserplein.

In de negentiger jaren werd deze tunnel gesloten. Als reden werd aangegeven dat men Amsterdam meer verkeersluw wilde maken door deze snelle verbinding van het centrum naar Noord en Oost af te sluiten. Heb echter ook gehoord dat de tunnel – een drijvende betonnen bak – constructief niet geschikt was voor de sterke toename van het verkeer in deze jaren. Na jaren van leegstand, waarin de tunnel een soort vrijstaat werd voor graffiti kunstenaars (daar is een heel boek over geschreven “Amsterdam graffiti, the battle of Waterloo”) en ook wel de Hel van Dante genoemd werd, schrijft de gemeente in 2002 een prijsvraag uit.

Als jonge vaders (een studiemaat en ik) wonnen we deze prijsvraag (uit circa tien ideeën) met ons plan voor een echt gave kinderattractie in het hartje van Amsterdam, waar je zonder hinder van weer en verkeer kunt spelen. De eerste maanden (na opening in februari 2003) twijfelden we nog even of we wel iets goeds hadden bedacht; de bezoekers stroomden nog niet in grote getalen binnen. Achteraf bleek dat één van heetste zomers ooit gemeten te zijn. Een overdekte kinderspeeltuin moet het vooral van het natte Nederlandse weer hebben, maar dat is gelukkig meer regelmaat dan uitzondering. De jaren erna kwam de bezoekersstroom dan ook goed op gang en reikte tot zo’n 130.000 gemiddeld per jaar. Een hele generatie kinderen heeft er wel gespeeld.

Bijzonder was het toen we “sollicitaties” binnenkregen van jongeren, die als kind regelmatig in TunFun hadden gespeeld. TunFun is gaandeweg zelfs een generieke term voor overdekt spelen in Amsterdam geworden. Zeg maar zoiets als een Spa’tje gelijk staat aan bronwater bestellen.

Totdat kort geleden (medio april) als donderslag bij heldere hemel de mededeling kwam dat er naar aanleiding van een risicoanalyse van de brandweer grote zorg was over de brandveiligheid. De gestelde termijn van 1,5 week om aan alle vereiste maatregelen te voldoen was voor ons, ondanks enorme inspanningen, niet haalbaar. TunFun moest uiteindelijk op last van de gemeente (als handhaver) op 25 april jl. haar deuren sluiten.

Uit het brandweerrapport zou je bijna op kunnen maken dat TunFun levensgevaarlijk was al die jaren. Als dat het geval zou zijn, had ik als exploitant natuurlijk direct ingegrepen. Nooit heb ik dat gevoel van onveiligheid gehad; wel is een oude autotunnel natuurlijk een stoere en ruige ruimte, die niet “brandschoon” is. En ook de gemeente heeft bij al haar controles en het verlenen van de exploitatievergunningen (iedere vijf jaar) nooit eerder aangegeven dat de ruimte niet voldoet voor een kinderattractie.

Er werd juist gesproken over een langjarige huurovereenkomst attractie, maar na de rapportage van de brandweer kwamen er signalen van de gemeente (als verhuurder) dat er geen langjarige huurovereenkomst zou worden afgegeven. Na de sluiting en de impact die dat had op de Amsterdamse kinderen leek ineens een langjarig huurovereenkomst weer wel bespreekbaar. De politieke agenda is ondoorgrondelijk.

Voor mij is TunFun altijd een niet winstgevend project geweest met een belangrijke maatschappelijk functie, dat ik graag zie voortbestaan. De gemeente (lees: lokale bestuur) had daar meer waarde aan kunnen hechten. Wellicht heb ik dit eerder onvoldoende onder de aandacht gebracht. TunFun lijkt nu overigens gered door een professionele en kapitaalkrachtige partij met ruime ervaring in de leisure industrie, die bereid is met risico te investeren in de benodigde aanpassingen en vernieuwingen om TunFun een nieuwe toekomst te geven. Dat de overname van TunFun door deze partij niet vlekkeloos liep, kwam door een frontale botsing tussen ego’s. Het blijkt dat, hoewel mensen hetzelfde beogen (overdracht in dit geval), er grote verschillen kunnen zijn in de benadering van zo’n overnameproces.

Wat voor mij een (sympathiek en klein) maatschappelijk initiatief was, dat ik in harmonie wilde overdragen om de continuïteit voor zowel de Amsterdamse bezoekertjes en het TunFun-team van 28 mensen te waarborgen, werd door de andere partij benaderd als de overname van een multinational met (ondanks het symbolische bedrag, waarom het gaat) allerlei verrekeningen, vrijwaringen en garanties. Deze partij koos daarbij voor een hele dwingende juridische benadering. Zal jullie de details besparen (google zelf maar even), maar het voelde voor mij in ieder geval helemaal niet fijn. Het zorgde de afgelopen maand helaas voor veel negatieve energie. Uiteindelijk is de overdracht tot stand gekomen.

Toch hoop ik dat deze nieuwe eigenaar TunFun weer leven weet in te blazen, en dat het nog vele jaren één van de leukste attracties voor Amsterdamse kinderen mag zijn. Deze “clash” zonder echte winnaars (althans zo ervaar ik het) heeft mij de afgelopen maand in ieder geval even totaal geblokkeerd, maar ik ben weer helemaal terug…

Stokkie

Ja inderdaad “hockey speel je met een stokkie”. Dat is in al die jaren niet gewijzigd, maar is er bij het hockeyspelletje wel het nodige veranderd. Niet alleen zijn de regels flink op schop gegaan met al enige tijd geleden het afschaffen van buitenspel – ook nog steeds Marco van Basten’s paradepaardje voor wat betreft wijziging voetbalregels – en recenter de introductie van de selfpass en nog wat kleinere zaken, zoals strafslagen binnen de cirkel en afstand houden daarbij. Speelden wij zo’n dertig jaar geleden nog met echte houten sticks – gelukkig niet meer met zo’n megakrul, dat is écht van vroegguh – tegenwoordig wordt een beetje profistick gemaakt van allerlei kunststof materialen (carbon, fiberglas) en kost je zo een paar honderd euro als ie ook nog van een beetje merk moet zijn zoals Adidas of Osaka.

Ben zelf al zo’n 15 jaar geleden (na diverse knieoperaties; zal jullie de details besparen) gestopt met hockeyen, nadat ik daarvoor ook zo’n 25 jaar achter een balletje had aangehold op allerlei niveaus. “Druk een punt kerel” zeiden ze lang geleden. Nu is hockeyen, net als golfen al lang géén sport meer voor kakkers. Zo is ook studeren al lang niet meer voor de elite, hoewel dit met het leenstelsel wel weer dichterbij komt.

Terug naar de hockeyvelden. Mijn eerste herinneringen liggen op sportpark De Bloemerd (de kenners weten waar dat is), waar ik als “mini” (van een jaar of acht) heel hard rondrende op een klein veldje met pilonnen als doeltjes. Dat was in de leeftijdscategorie van wat tegenwoordig de E’tjes wordt genoemd. F-jes bestonden toen nog niet. Nu proberen ze kinderen vanaf zo jongs af aan mogelijk aan een bepaalde sport te krijgen, want dat zou “renderen”. Alles voor Olympische medailles! Ze zijn er ondertussen gelukkig wel achter dat jonge kinderen over de kling jagen met 5 keer trainen per week niet gezond is. Ook de lang heilig verklaarde 10.000 uren regel om de absolute top in een bepaalde sport te bereiken ligt sinds kort toch weer onder vuur. Misschien kinderen toch maar iets later laten beginnen met sporten in (prestatie-) teamverband?

Na een ambitieuze hockeyperiode in de jeugd (jazeker, eerste elftallen) en mogen spelen op kunstgras wat toen net in opkomst was, kwam de bijna onovertroffen tijd van het studententeam waarmee je in alle vroegte (althans zo voelde dat ook aan het begin van de middag) ergens de wei werd ingestuurd. Naast de geur van bier die uit al je poriën kwam, kon je nog net de heerlijke geur van vers gemaaid gras ontwaren. Dit waren wel de jaren waarin het ene na het andere kampioenschap werd binnengehaald met de meest mooie kampioensfeesten erachter aan. Als jongwerkende werd dit traject gewoon vervolgd, waarbij het thé dansant -betekent niks anders dan “vroeg” feestvieren – op zondag een ankerpunt in de week was. Ik heb er het geluk gehad mijn vrouw voor het eerst te ontmoeten. Zij vindt dit trouwens een heel “ballerige” blog. Nu heeft ze zelf ook gewoon bijna 25 jaar gehockeyd. Onze ouders deden overigens niet aan dit spelletje. Daar heeft ze een punt. En ze leefden nog lang en gelukkig…

Hoewel niet meer als actief speler blijft het hele hockeygebeuren (afentoe zo’n woord mag toch wel) tot op de dag van vandaag een bijzonder fenomeen. En hoewel ook bij deze sport ondertussen de zich ongelooflijk misdragende toeschouwers hun intrede hebben gedaan – de maatschappij dat ben jij! – blijft het een mooi spelletje. Met twee (van de drie) hockeyende dochters en vele momenten als coach langs de lijn en trainer in het veld durf ik dat te zeggen.

Hoe leuk is het om een stel meiden veel plezier aan het spelletje te laten en zien beleven. Overigens op zeer bescheiden niveau. Las dat veel clubs af willen van de terminologie “lijn- en breedteteams” omdat te stigmatiserend zou zijn. Alle aandacht gaat in praktijk inderdaad vaak uit naar de prestatieteams. Dat vind ik persoonlijk jammer, omdat in mijn ogen iedereen die in een veld staat altijd daar met de intentie zou moeten staan om er iets zo goeds mogelijk van te maken, waarbij sportiviteit en inzet de boventoon voeren. Dat betekent niet dat alle ballen in de kruising moeten verdwijnen. Dat kunnen alleen de echte profi’s, zo zag ik vorige zomer in het Wagenerstadion tijdens de EK finale nog hoe Kemperman dat deed. Wat een wedstrijd trouwens!

Het allerbelangrijkste zijn natuurlijk de hockeyfeesten! Daar mag ik me sinds enige tijd op ons cluppie van de zijlijn ook een beetje mee bemoeien, met heel veel genoegen uiteraard. Zojuist weer een AB-feest in optima forma meegekregen. Heerlijk om te zien hoe kids van 16, 17 soms 18 jaar helemaal uit hun dak gaan. Het draait hierbij maar om één ding, namelijk drinken. Vroeger was dat zoenen, want drinken was toen géén dingetje. Hoe ziet zo’n feest er tegenwoordig uit? Het clubhuis is een soort kooi geworden; eenmaal binnen niet meer naar buiten (want anders zou je die flessen wodka zo uit de bosjes kunnen pakken). Het indrinken is al compleet verbannen door (bijna) iedereen vooraf te laten blazen (alcolholtest laten doen dus). Zerotolerancebeleid dus. De jeugd moet creatiever zijn, en dat zijn ze ook.

Zo vullen vooral meisjes Breakers (ja, van die yoghurt knijpdingen) met wodka of ander sterk alcoholisch bocht en verstoppen deze op plekken waar niemand aan mag komen. Deze worden bij het eerste toiletbezoek direct “Adje getrokken”. Verder probeert menigeen met een vals ID (of geleend van oudere broer of zus) zich tot de 18 plus schare te verheffen, zodat er bier besteld mag worden. De polsbandjes die daarbij horen zijn voor velen de grootst gekoesterde droom; die proberen ze ook nog te vervalsen. Dat is moeilijker met katoenen feestbandjes met eenmalige sluiting. Het is een heerlijk kat-en-muisspel, en zo moet het ook zijn. We zijn allemaal jong geweest tenslotte.

De grootste boobytrap is echter als je kinderen aangeven dat ze naar HockeyLoverz willen. Klinkt heel vriendelijk. Dit is een compleet georganiseerd festival ergens in de polder. Ook deze zomer vieren daar drie weekenden achter elkaar zo’n 15.000 jongeren groot feest. En met hockey heeft het weinig te maken; de meeste kids nemen niet eens een stick mee. Elk jaar worden er wat minderjarigen met een alcoholvergiftiging naar het ziekenhuis afgevoerd. Dat zou je op zulke aantallen nog wel kunnen “vergoelijken” zolang het je eigen kind maar niet is… Het is echter allemaal nog wel iets heftiger, te weten “een groot neukfestijn”. Nog beter is het misschien om daar een “stokkie voor te steken”, of ben ik dan te ouderwets als vader van drie dochters?

 

Volgelingen

In deze tijd waarin alles lijkt te draaien om volgelingen en aantal volgers, heb ik met grote fascinatie gekeken naar de net uitgekomen documentaire “Wild Wild Country” over de Indiase goeroe, Bhagwan. Ja precies, van die sekte met al die lieden in oranjerode kleding. Bhagwan werd in 1981 internationaal bekend toen hij naar de Amerikaanse staat Oregon reisde en daar een stad stichtte. Hij deed dit met als plan om omringd door duizenden volgelingen van over de hele wereld – zeker ook uit Nederland – eerst het stadje Antilope, daarna het district Wasco County, daarna de staat Oregon en tenslotte heel Amerika te transformeren tot een spirituele utopie. In deze 6-delige documentaire, die ik één grote Paas-bingewatch (zou dat een woord zijn?) heb getackeld, komt het allemaal voorbij. Je kunt ‘m nu zien op Netflix.

Heb met grote verbazing zitten kijken naar op het eerste gezicht weldenkende, vaak misschien zelfs intelligente mensen, die deze vreemde snuiter met baard blind volgden. Op een godsdienstige boodschap heb ik hem overigens niet kunnen betrappen, wel dat z’n favoriete automerk Rolls Royce was. Hij had er naar zeggen 96. Dat hij vrije seks voorstond was ook duidelijk; hoorde hem alleen zeggen dat ie ‘t nooit met z’n secretaresse zou doen. Zijn vage boodschap van zelfverwezenlijking, verlichting en onvoorwaardelijke liefde leidde er in ieder geval toe dat zijn volgelingen, zogeheten sannyasins, voor hem tot het uiterste ging. Je gelooft het pas als je het ziet.

Ruim 35 jaar later is er in de wereld nog steeds ruimte voor zo’n messias. Vergelijk deze Bhagwan eens met Trump. Het mag overduidelijk zijn dat Trump nog steeds in hart en nieren een zakenman is, die samen met z’n familie ten volste profiteert van zijn presidentschap. Z’n “Make American great again” baseball caps bleken voor het grootste deel gewoon in China, Vietnam en Bangladesh geproduceerd te zijn. Naast een niet al te heldere boodschap blijken beide heren in ieder geval voldoende commercieel vaardigheden te bezitten. Om het voor de buitenwereld netjes te houden heeft Trump de leiding over z’n zakelijke activiteiten trouwens (tijdelijk) overgedragen aan z’n zoons en heeft hij ook z’n overige zakelijke functies neergelegd. We laten ons graag foppen.

Toch zal het menigeen niet verrassen dat de Donald meer volgelingen op twitter heeft dan onze “eigen” Paus Franciscus, terwijl deze toch het hoofd is van Rooms-Katholieke kerk met meer dan 1,2 miljard volgelingen het grootste kerkgenootschap op de wereld. Hoewel hij deze Pasen op het Sint-Pieterplein tijdens het traditionele Urbi et Orbi de kwekers uit ons landje weer allervriendelijkst bedankte voor de geschonken bloemen – helaas niet meer in ’t Nederlands, zoals vroeger, maar gewoon in ‘t Italiaans – kan je de Paus als leider van de katholieke kerk misschien wel zien als de CEO van de rijkste multinational ter wereld.

Hierbij verbleekt Mark Zuckerberg en zijn aan Facebook gerelateerde vermogen dan weer bijna. Zeker nu de beurswaarde van Facebook de afgelopen weken is gekelderd met bijna 100 miljard na het privacy schandaal omtrent misbruik van gegevens van bijna 50 miljoen Facebookgebruikers waarvan de profielen door het bedrijf Cambridge Analytica bijeengeharkt waren. Zuckerberg had overigens vlak vóórdat dit bekend werd nog even ter waarde van $ 1 miljard aan aandelen Facebook verkocht. Voor fiscale planning, ja, ja… Ondertussen is het aandeel verder gedaald en is er een hele #deletefacebook campagne ontstaan. Voor Zuckerberg helpt ’t daarbij niet dat hij op 19-jarige leeftijd – hij is nu 33 – iedereen die z’n gegevens achterliet in een e-mail “dumb f**ks” noemde.

Voor mij persoonlijk allemaal géén probleem, want ik ben bewust nooit op Facebook gegaan. Geloof namelijk niet in gratis… Als je niet betaalt, ben je géén klant. Dan ben je een product. Je geeft zoveel informatie van jezelf prijs dat adverteerders bereid zijn om daar flink voor te betalen. Niemand heeft dit model zo goed ontwikkeld als Facebook. Om de nek van iedere gebruiker hangt maandelijks een mooi prijskaartje (lees: inkomsten voor Zuckerberg cs.). Nu kijkt iedereen vreemd op dat men een stapje verder is gegaan door alle informatie van haar gebruikers ook in te zetten voor (politieke) beïnvloeding. Ook dat is gewoon een (nieuw) verdienmodelletje van Facebook. Naar verluid betaalde Trump 6,2 miljoen dollar aan Cambridge Analytica om hem te helpen stemmers te bereiken. Hij is uiteraard niet de enige klant. Het “schandaal” breidt zich langzaam verder uit naar Pro Brexit organisaties.

Hoe naïef kunnen we met z’n allen zijn? Als we vroeger door de traditionele kranten onze beeldvorming lieten beïnvloeden, dan is het toch niet verwonderlijk dat dit nu digitaal gebeurt. Niks menselijks is ons vreemd. De kracht van sektes en hun sterke leiders is dat ze je eerst welkom laten voelen om je vervolgens te transformeren naar een lid van hun sekte. Het ligt aan je karakter of levensstijl of je er snel vatbaar voor bent.

Ik probeer als een soort Asterix de Galliër weerstand hieraan te bieden, maar ik ga daarbij zeker ook niet vrijuit. Zo ben ik bijvoorbeeld een ongelooflijke Whatsapp-adept; ook eigendom van Facebook Inc. Keek zojuist even in m’n app datagebruik; heb al ruim 44 duizend Whatsappberichten verstuurd (m’n vrienden kunnen erover meepraten; zij moeten het allemaal lezen). Daarnaast ben ik natuurlijk net zo gevoelig voor het aantal volgers van m’n blog als een Facebook-gebruiker voor “likes”. Heb op dit moment 83 abonnees, die mijn blog “automatisch” in hun mailbox krijgen en ik kan via mijn eigen “spyware” zien dat elke blog zo’n 300 keer gelezen wordt. Zo heb ik gelukkig ook de nodige “Recht-op-doel-af-volgelingen”…

Géén kunst

Het zal niemand verbazen dat regelmatig wel ergens een kunstwerk door de schoonmakers bij het grofvuil wordt gezet. Zo werd ooit een prullenmand met rommel van de New Yorkse kunstenaar Paul Branca door een medewerkster van een Italiaanse kunstgalerie weggegooid. Het kunstwerk maakte deel uit van de ​​tentoonstelling ‘Display Mediating Landscape’ over de bedreiging van ons ecosysteem en de consumptiemaatschappij. De waarde van het prullenmandje, geschat op zo’n €11.000, werd gelukkig wel gedekt door de verzekering van de galerie. Ik kwam zelfs een top 10 tegen van “Art Accidents”. Heerlijk altijd die lijstjes.

Er bestaat kunst in alle soorten en maten, en dus voor verschillende prijzen. Je kunt ook eindeloos discussieren over wat kunst is, en wat niet. Kunst is niet alleen schilderij, foto of sculptuur, maar het kan een performance, een geluid of een houten pallet aan de muur gespijkerd zijn. Alles is kunst en kunst is overal. Conceptuele kunst maakt het soms wel ingewikkeld. Zo is de pindakaasvloer van Wim T. Schippers uit 1962 best ééntje om te onthouden. Het moet aangeven dat alles in principe zinloos en onzinnig is, maar daarom nog wel de moeite waard. Deze pindakaasvloer ligt tegenwoordig in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Dat was best een flinke klus.

Welkom in de wereld van de kunst! Zelf kochten wij zo’n twintig jaar geleden tijdens een romantisch weekend in Parijs (we waren nog niet getrouwd) ons eerste kunstwerk. Een mensgrote “bewegende” sculpture van gietijzer gemaakt door de Franse kunstenaar Vincent Magni, hij noemt het een “Humanobile”. Toen was het voor ons heel veel geld voor een kunstwerk, maar achteraf was het geen slechte koop. Zag dat dezelfde werken nu bijna 5 keer (!) zo prijzig zijn geworden. Dat is echter precies hoe je niet naar kunst moet kijken. Het is juist géén belegging.

Dit fluisterde één van Neerlands meest gerespecteerde veilingmeesters mij eens in ’t oor. Tuurlijk is het zo topstukken soms voor gigantische bedragen (en winsten!) van de ene in de ander hand gaan, maar dat is slechts de bovenlaag. Zo wisselde recent Da Vinci’s Salvator Mundi voor ruim $450 miljoen van eigenaar. Daarmee is dit het duurste schilderij in de geschiedenis, de koper wilde overigens anoniem blijven. Het veilinghuis Christie’s had het werk overigens ingeschat op slechts $100 miljoen. Het is dus maar wat de gek ervoor geeft. Het controversiële aan dit werk is ook nog eens dat men lang gedacht heeft dat het een kopie was. Zo werd het in 1958 voor slechts 45 pond verkocht op een Londense veiling. Pas in 2011 na een grondige renovatie hebben kenners bevestigd dat het een échte Da Vinci is.

De verkoper is overigens de Russische miljardair Rybolovlev, die aan de lopende band kunstwerken verkoopt. Volgens sommigen omdat hij zijn ex-vrouw Elena ruim 700 miljoen euro moet betalen, in wat wel ‘de duurste scheiding ter wereld’ genoemd werd. Zou daar ook een lijstje van zijn?

Kunst is dus zeker niet saai. Zo is ook een bezoekje aan de TEFAF altijd meer dan de moeite waard. Het kijken naar de mensen, die daar rondlopen, fascineert mij vaak nog meer dan de kunst zelf. Natuurlijk is de kunst op de TEFAF, die in de wereld als één van de meest toonaangevende beurzen wordt gezien, van ongekend niveau. Je loopt soms nietsvermoedend langs topstukken van Van Gogh of ander oude meesters. Je waant je bijna in een museum. Nog even een gratis tip. Als je je aangetrokken voelt tot die werken, maar niet over de benodigde muntjes beschikt om de originelen te kopen, kan je ze altijd nog op canvas laten afdrukken.

Zoals gezegd kochten wij destijds in Parijs ons eerste kunstwerk. Zie ons nog samen terugrijden in een oud Volkswagen Golfje met het mensgrote beeld gestrekt tussen ons in richting de achterbank. Daarna hebben wij nog heel wat (meestal kleinere) kunstwerken gekocht, van framed radioactief afval uit Fukushima (Tinkebell 2015) tot een hoofd van chocolade (Renzo Martens 2015), van voetafdrukken (Alex Dordoy 2014) tot een selfie van een opgezette uil (Darren Harvey-Regan 2013), en met name veel fotografie.

Voor ons is het zo dat we blij moeten worden van kunst. Dat kan zijn vanwege wat je ziet (vaak grappig), maar meestal juist het verhaal van de maker erachter.  Wij proberen dan zo vaak als mogelijk in contact te komen met de kunstenaar zelf. Dat “beperkt” ons natuurlijk sowieso al een beetje tot moderne kunst, maar dat is na al die jaren ook onze smaak gebleken. Vaak vallen wij voor iets dat afwijkt van het normale, of soms een beetje “schuurt”. Omdat wij onszelf een vast maximumbudget per werk hebben gesteld kopen wij vaak iets van jongere kunstenaars. Zij zijn nog betaalbaar, maar kunnen bovendien de steun en waardering dat hun werk wordt gekocht, juist goed gebruiken. Ook bouw je met de kunstenaar op deze manier soms een leuke relatie op. Tot op heden hebben wij nog van géén enkele kunstaankoop spijt; dat geldt voor een hoop andere materiële zaken helaas niet. Natuurlijk kijken wij ook weleens naar een kunstwerk bij ons aan de muur en vragen we ons af, waarom we dat (ooit) mooi vonden. Maar altijd is er toch ergens weer een gevoel van blijdschap, bijvoorbeeld over de lol die we hadden bij de aanschaf destijds. En als het er echt niet uitziet, is er altijd nog wel een ver weg hoekje in huis om het “weg te hangen”.

Ze zeggen dat je overigens pas een verzamelaar bent, als je ook kunstwerken koopt zonder direct te weten waar je deze werken in je huis gaat ophangen. Dat klopt denken wij wel. Als je echt iets ziet, wat je aanspreekt, moet je dat toch niet aan je voorbij laten gaan. Het blijft natuurlijk lastig om te bepalen wat een mens mooi vindt. Hierover bestaan “algemene” tips, die te vinden zijn in het recente uitgebrachte boek, getiteld Ontroerend Goed “Van kunst kijken naar kunst kopen”. Bekijk zoveel mogelijk kunst als je kunt en lees er alles over. Bepaal vooraf je budget, maar durf te kopen. Volg niemand, alleen je eigen smaak. Koop kunst voor morgen, niet voor vandaag. Koop kunst niet om financiële redenen, maar alleen als investering in jezelf.

Op de TEFAF zat het er dus sowieso even niet in om iets aan te schaffen (alles daar buiten ons budget), maar mijn oog viel wel op dit bijzondere schoentje (zie afbeelding hieronder). De Japanse kunstenares Yayoi Kusuma is gek op pompoenen, rode stippen en felle kleuren. Dat laatste is ook direct te zien aan haar knalrode haardos. Achteraf zou je bijna denken dat de rode stip in de Japanse vlag een creatie van haar is geweest. En zelfs de aarde is volgens haarzelf een “polka dot”.

Zo zegt men dat je kunst kunt bekijken uit drie invalshoeken. Wat stelt het voor? Wat wordt hier geuit? Welk doel dient het? Als je het op die manier bekijkt, wordt het bijna wetenschappelijk. Toch zal bijna elke kunstenaar je vertellen dat kunst persoonlijk is, zowel voor de maker als voor de kijker. Wat je vindt, voelt, denkt, ervaart is bij iedereen anders. En dat is vaak ook precies de bedoeling aan kunst.

Daarmee schuilt misschien alsnog in iedereen een kleine kunstenaar. Zo hebben we allemaal wel eens naar iets gekeken en gedacht “dat had ik ook best kunnen maken”. Da’s géén kunst!

Kuddegedrag

Rond deze tijd als de krokusjes weer uit de grond springen en iedereen weer bijna tegelijkertijd richting de skipistes vertrekt (letterlijk: tegen de berg opkruipt), moet ik denken aan een kudde schapen, die zich gedwee naar de stal laat leiden. Zo blijkt de mens ook maar gewoon een dier te zijn. Toch zit er iets fascinerends in het verschijnsel dat wij ons als mens soms (of beter gezegd regelmatig) compleet in de greep laten houden door een bepaalde – vaak idiote – gedachte.

Zo is uit onderzoek gebleken dat er slechts een minderheid van 5% nodig is om een groep van meer dan 200 personen naar een bepaalde locatie te leiden. Beter gezegd, wanneer 5% van de proefpersonen de opdracht krijgt om een bepaalde richting op te lopen, worden ze in alle gevallen gevolgd door de resterende 95% van de groep. De onderzoekers zagen een duidelijke ‘slang’ van mensen ontstaan. Toch hadden de deelnemers uit de volggroep nooit het idee dat zij anderen achterna liepen. Dit lijkt op het eerste gezicht best handig, maar met de “foute” leider kan je behoorlijk op de verkeerde plek uitkomen, of ergens waar je helemaal niet naartoe op weg was.

Groepsdenken klinkt in eerste instantie best gezellig en oké. Zo wordt bij het maken van moeilijke beslissingen vaak gesproken over “the wisdom of the crowd”. Veel leken weten het vaker beter dan de expert (denkt men). Mijn eigen observatie is echter dat je beter kunt spreken van “de kracht van de massa” en niet zo zeer hun wijsheid. Laat ik maar weer eens één van mijn favoriete onderwerpen aansnijden, te weten beleggen. Ze zeggen weleens dat als de taxichauffeur over beleggen begint te praten, dan weten de professionals dat ze moeten uitstappen.

Zo hoor ik op dit moment iedereen praten over allerlei cryptomuntjes. Deze digitale munten die via computernetwerken buiten banken en overheden worden beheerd, doen iets met ons. Wat dan precies? Denk dat toch het vooral de hebberigheid en angst is. We horen om ons heen allemaal verhalen van mensen die ongelooflijk veel geld ermee verdienen. Of dat blockchain de technologie van de toekomst is. Kan iemand mij dat nog eens in paar zinnen uitleggen? Begrijp heel goed dat mensen het straks héél pijnlijk vinden als ze als enige de boot gemist zouden hebben. De gevleugelde woorden van – de door andere omschreven als superbelegger – Warren Buffett zijn dan ook niet voor niks: “Be fearful when others are greedy and greedy when others are fearful.”

Er spelen naast groepsdenken natuurlijk heel veel zaken een rol bij besluitvorming. Zo betrap ik mijzelf er weleens op dat ik om de goede vrede in de groep te bewaren (lees: conflicten uit de weg te gaan) minder kritisch kijk naar de gevolgen van een beslissing. En later – bij een verkeerde afloop – is dit uiteraard met spijt als haren op m’n hoofd. Ook neem je vaak een beslissing die een ander al heeft genomen. Waarom vragen mensen aan tafel anders continu aan elkaar: “Wat ga jij nemen?”

Nog veel lastiger is het voor ons wanneer we al een bepaalde beslissing hebben genomen of een investering hebben gedaan, om terug te komen op een eerder besluit. Zelfs als er allerlei nieuwe feiten zijn, die een heroverweging meer dan zouden rechtvaardigen. Mensen kunnen zo irrationele beslissingen nemen om eerdere rationele beslissingen te rechtvaardigen. Onze neiging om informatie te zoeken of te filteren die onze opvattingen en vermoedens bevestigt, is algeheel bekend en heet in de psychologie de “confirmation bias”. Dit komt op allerlei manieren voor, zo bepaalt het onder andere ons voorkeursgedrag. Deze bevestigingsneiging is zo’n sterk ontwikkelde selectieve manier van redeneren, dat je je niet realiseert dat het tot denkfouten kan leiden. De kunst is om jezelf iedere keer weer de kritische vraag te stellen of je vermoeden wel juist is, of dat er iets is wat het ontkracht.

Ik heb er net als bijna iedereen ook last van dat ik zo lang mogelijk bij mijn eigen mening blijf. Wel probeer ik daarbij zoveel mogelijk een authentiek denker te zijn. Dus er niet alleen maar naar streven om zoveel mogelijk voorbeelden te bedenken om een gedachte te bevestigen, maar juist ook tegenvoorbeelden zoeken. Zo ben ik bij sportwedstrijden meestal ook voor de underdog (tegen beter weten in) en ben ik in mijn doen en laten vaak anticyclisch (zeg maar: “tegendraads”). Ook al leidt dit natuurlijk niet altijd tot de gewenste of verwachte uitkomst, toch haal ik er voor mijzelf het meeste genoegen uit. Dit staat overigens in schril contrast met feit dat ik altijd controle wil houden. Mijn vrienden kunnen daar over meepraten. Voor mijzelf verklaar ik dat altijd omdat ik niks moois wil missen. Zo kan ik continu dingen van m’n bucketlist blijven strepen. Wordt vervolgd.

Met al deze wetenschap is het weer een “geruststellende” gedachte dat wij dit weekend met zo’n 450.000 Nederlanders tegelijkertijd de Alpen inrijden. Opgedreven als een stel schapen. Natuurlijk denk ik dat ene slimme schaap te zijn die op zondag gaat…

Virus

Hiermee doel ik niet op het griepvirus dat de afgelopen maanden veel mensen compleet “knock-out” sloeg, maar op het Olympische virus. Sinds 1992 ben ik hiermee besmet geraakt, toen ik m’n eerste Olympische Spelen bijwoonde.

Hoe ging dat? Rechtstreeks vanuit Groningen, waar ik toen studeerde, reden we met vier vrienden in m’n eerste autootje – een rood Golfje, hij kon best “hard” – richting Albertville. We maakten eerst nog een tussenstop (overnachting) bij bekenden in Grenoble. Een leuke stad, zeker ‘s-avonds. Het avondje uit aldaar staat nog bijna net zo goed in mijn geheugen gegrift als de grote dag zelf, we gingen naar de 5 kilometer schaatsen voor Heren. Het laatste deel reisden we met de trein. We waren goed uitgedost, denk aan een compleet oranje overall, vlaggen op het gezicht geschilderd, vuurpijlen om af te steken (tegenwoordig verboden in elk stadion!) en oranje drankjes (voorgemengd, dus een soort breezer “avant la lettre”). In een grote stoet liepen we met veel Nederlanders naar het open lucht ijsstadion. Ja dat waren nog eens tijden. Het langebaan schaatsen vond plaats op afgelegen ijsbanen in vaak de meest winderige omgeving.

Terwijl wij ons nestelden op de tribune (free seating) naast de ouders van Hein Vergeer en Leo Visser – ja, dat waren onze helden toen – waren de eerste rijders al van start gegaan. Grote schermen in het stadion om mee te kijken, waren er nog niet. Je moest gewoon opletten; dat hadden wij dus niet gedaan. Op deze koude dag in februari schaatste de Noor Geir Karlstad vrij onbedreigd naar het goud. Vergeer was in geen velden of wegen te bekennen, maar Falko Zandstra – in bloedvorm dat jaar – schaatste naar het zilver. De grootste verrassing was de bronzen medaille van Leo Visser, die hij ook nog behaalde op de 1.500 meter met 9/100ste achterstand Johann Olav Koss. Na deze Spelen beëindigde de man uit Haastrecht zijn schaatscarrière.  Wij vierden deze zilveren en bronzen medailles als ware het goud; het bleef nog lang onrustig in Albertville en omstreken. Ik had de smaak vanaf dat moment flink te pakken.

In 2006 werd ik uitgenodigd om naar de Winterspelen van Turijn te gaan. In deze jaren voor de crisis was het voor grote bedrijven nog “ussance” om goede klanten uit te nodigen voor dit soort tripjes. Dat was later (na oktober 2008) snel voorbij. Ik herinner me de bijzondere race op de 10 kilometer voor mannen in een bijna ontploffend (overdekt) stadion in Turijn, Bob de Jong won in een ongekend spannende race goud. Met wel 10.000 Nederlandse fans op de tribune leek het stadion wel bijna te exploderen. Zowel in 2010 en 2014 wist De Jong nog brons te winnen op deze afstand, maar dit was echt de race van zijn leven. Voor de ondertussen schaatsbelg Bart Veldkamp waren het de laatste spelen; hij werd 14e. We stonden na afloop met deze schaatsers aan de bar in het Holland Heineken House. Bijzondere momenten, ik was erbij! Naast schaatsen keken we ook naar Kunstrijden en woonden we de IJshockeyfinale bij. In een verrassende Scandinavische finale tussen Finland en Zweden (normaliter zou je Amerika, Canada en Rusland verwachten) wonnen de Zweden in een meer spannende dan hoogstaande pot met 3-2.

In 2010 twijfelde ik dan ook niet om naar de Winterspelen in Vancouver te gaan. Deze keer had ik zelf wat gezellige vrienden opgetrommeld om naar Canada af te reizen. Het werd een legendarische trip. We zagen Sven Kramer winnen op de 5 kilometer. Iedereen zal zich van die spelen nog wel z’n verkeerde wissel op de 10 kilometer herinneren (toen waren we alweer thuis). Vancouver, gelegen tussen de bergen en de Stille Oceaan, wordt niet voor niks regelmatig gekozen tot de mooiste stad ter wereld. De dynamiek van deze stad is ontzettend groot; er wonen allemaal sportgekke Canadezen, de keuken is Frans georiënteerd en daarom gewoon écht goed. We liepen zelf paraderend door deze stad met onze opvallende witte Parka-jassen als ware wij het Nederlandse Curlingteam (hebben zich in werkelijkheid nog nooit geplaatst voor de Spelen). Zo zijn we in veel foto-albums terecht gekomen en haalden zelfs de roddelpagina van de wakkere krant van Nederland. Altijd fijn als je daar een weddenschap voor bubbels over hebt afgesloten (proost!). Naast sportwedstrijden hebben we hier ook veel uitspanningen meegepikt. Denk daarbij ook aan het unieke radio-interview van Erica Terpstra bij Radio 538. We hadden daarvoor met haar aan dezelfde feestborrel gestaan. Door het tijdsverschil met NL ging het soms een beetje mis…

In Sotsji waren we er natuurlijk ook bij. Hoewel iedereen in rep en roer was over de Zwarte weduwe (onderdeel uitmakend van groep terroristen uit de Kaukasus) die van plan zou zijn om een aanslag te plegen tijdens deze Winterspelen, lieten wij ons niet weerhouden om af te reizen naar deze badplaats aan de Zwarte Zee. Vergelijk het maar met Scheveningen. En inderdaad liepen de temperaturen tijdens deze Spelen hoog op, letterlijk (bijna 20 graden) en figuurlijk (op alle andere vlakken). Het begon al met mooie wandeling naar het hotel, waar bij binnenkomst de kamernummers nog op de deur geplakt moesten worden. Het was net op tijd klaar allemaal. Zelf kwamen we te laat bij de openingsceremonie binnen, want de voorafgaande lunch met wat Russen was iets te gezellig geworden. Daarbij werd op weg naar de het stadion ook nog de weg compleet afgezet voor president Poetin. Uiteindelijk konden we nog net Team NL zien binnenkomen om vervolgens tijdens het openingsspektakel van de ene verbazing in de andere te vallen. En dat was nog naar het begin. Onze eerste wedstrijd was de 5 kilometer van de mannen, daar pakten Kramer, Blokhuijsen en Bergsma de plekken 1, 2 en 3. Ireen Wüst pakte vervolgens goud op de 3 kilometer. Voor ons was het hoogtepunt de 1 – 2 – 3 op de 500 meter sprint. Niemand zal ooit vergeten hoe in een zinderende strijd (op honderden van seconden) uiteindelijk Michel Mulder op één honderdste seconde won. Hiermee gaf hij Smeekens en zijn broer Ronald het nakijken.

De feesten in het Holland Heineken House waren die dagen van ongeëvenaard niveau. Niet zo verwonderlijk als je beseft dat de Nederlandse equipe een record aantal medailles haalde (tijdens de Winterspelen); om precies te zijn 24 stuks (8x goud, 7x zilver en 9x brons). Het was dan ook bijna “begrijpelijk” dat Poetin, de man die de facto al sinds 2000 de machthebber in Rusland is, even kwam buurten daar. Als je vervolgens een vriend hebt, die één mooi zinnetje Russisch spreek, “wat een mooie spelen, meneer Poetin!”  dan weet je dat je een kus van hem krijgt. Deze staat nu nog steeds te boek als de “Kus des Doods”…  Over de persoon Poetin zal ik hier niet verder uitweiden. Ook dit blijft een onvergetelijk moment.

Ondertussen zijn de Winterspelen in PyeongChang in volle gang. Ben er deze keer niet bij, maar ik volg het op de voet. We hebben nu al na twee dagen een 1 – 2 – 3’tje te pakken op de 3 kilometer dames. Daarnaast heeft de man met het “telescoopbeen” Sjinkie – Frieser dan Fries, als je ‘m hoort praten – ook al een zilveren medaille gewonnen. Ik denk dat hij er nog wel één gaat halen. Niet onvermeld mag blijven dat de (bijna) meest succesvolste Nederlandse sporter op de Winterspelen, Sven Kramer, ook alweer goud heeft. Ook hij is besmet, maar dan nog met het niet ontdekte “winnaars-virus”!

Schaakmat

Voordat jullie denken dat mijn sportieve bestaan niet verder komt dan kilometers maken op een racefiets, dan heb ik voor velen – niet iedereen – een verrassing. Ik ben al sinds jongs af aan een verwoed schaker. Hoe is dat ooit begonnen?

Een oude buurman in de flat, waar ik als klein kind woonde, had mij het boekje “Oom Jan leert zijn neefje schaken” gegeven. Het boekje is al 75 jaar (!) in druk zag ik, en hoe kan het ook anders, geschreven door de eerste Nederlandse wereldkampioen Dr. Max Euwe. Voor de jongere generatie lezers misschien beter bekend van dat pleintje vlakbij het Leidse Plein of de toerist die op zoek is naar het Hard Rock Café (“and all I got was this louzy T-shirt”) in Amsterdam.

Ik leerde met dat boekje in de hand de regels van het edele schaakspel. Pin me er niet op vast, maar ik denk dat ik zo’n 8 jaar was. Schaken is natuurlijk helemaal niet stoer voor een klein mannetje, maar ik was direct gegrepen door dit fascinerende spel. Zo werd ik lid van de lokale schaakclub (in Leiderdorp) en speelde daar wekelijks op de jeugdavond m’n potjes schaak. Kreeg op een gegeven moment voor m’n verjaardag zelfs een heuse schaakcomputer, die ik gelukkig na enige tijd al de baas was. Hij maakte trouwens hele bijzondere piepjes bij het neerzetten van de stukken. Dat moest je vrij stevig doen – een touchscreen had toen nog nooit iemand van gehoord – anders accepteerde de computer de zet niet…

Eindeloos werd er ook met vriendjes geschaakt, hele middagen lang. Meestal potjes snelschaken, vliegensvlug zetten doen om dan heel hard en vooral zo snel mogelijk op de “Garde” schaakklok, die nog van echt hout was, te slaan. Al dit soort mooie momenten, waarin je samen met iemand op het scherpst van snede een bordspel speelde, zijn verloren gegaan aan eindeloze computerspelletjes, waar de jeugd van tegenwoordig zich meestal in eenzaamheid compleet aan heeft overgegeven. Hoe jammer is dat… Het is mij helaas ook niet gelukt om mijn eigen dochters écht aan het schaken te krijgen. Dat vind ik een grote misser van mijzelf en dus nog veel spijtiger.

Ik bleef zelfs in m’n middelbare school tijd geïnteresseerd in het schaakspel. Moest dat natuurlijk wel een beetje verbergen om niet tot de allergrootste nerd van de klas gebombardeerd te worden. Ik hockeyde gelukkig ook nog vrij fanatiek. Ging zelfs naar alle hockey-feesten; daarover binnenkort zeker meer. Mijn adoratie voor het schaakspel bleef echter niet helemaal onopgemerkt in de klas. We zitten ondertussen ergens begin jaren 80. Ik had op een ouderwetse briefkaart (jawel, zo’n ding met een vooraf gedrukte postzegel) aan het radioprogramma “Heb je een wens? Vraag het de VARA!” de eeuwig gekoesterde wens gestuurd om eens tegen de wereldkampioen te mogen schaken. Ik dacht daar wel aan toe te zijn na al mijn gewonnen partijtjes tegen de lokale grootheden. Op een gegeven moment werd ik door de concierge uit de klas geplukt. Of ik in het conciergehok aan de telefoon wilde komen. Daar had ik ineens “live” in de radio-uitzending Jack Spijkerman aan de lijn (hij presenteerde dat in z’n jonge jaren). Of ik tijdens het Interpolis Schaaktoernooi (in Tilburg), destijds één van de meest prestigieuze schaaktoernooi ter wereld, een potje schaak wilde spelen tegen de regerende wereldkampioen van destijds Anatoli Karpov. De tijden van Garri Kasparov moesten nog komen. Het was juist Victor Kortsjnoj – de naar het westen overgelopen Rus –  die in deze jaren zorgde voor zeer beladen matches voor het wereldkampioenschap. De meest bijzondere werd gespeeld in Baguio (1978). Destijds werd er gespeeld om 6 winstpartijen, waarbij remises niet meetelden. Nadat Karpov de 27e partij had gewonnen leidde hij met 5–2 en leek een afgetekende overwinning nabij. Van de volgende vier partijen won Kortsjnoj er echter drie, waarna het 5–5 stond. Karpov hervond zich en won de 32e partij. Deze oude beelden geven een mooi inkijkje in de wereld van topschakers toen.

Ik reisde dus enkele dagen later af naar Tilburg en mocht in de analyse-ruimte een potje tegen de wereldkampioen te spelen. Er is natuurlijk een foto van, maar deze kon na ruim 35 jaar niet meer vinden. De afloop van het spel tegen Karpov liet zich raden. In snel tempo werd ik van het bord geveegd; ik heb het over binnen enkele minuten, nog net géén seconden.

Mijn “moments of fame” op het schaakbord kwamen daarna nog. Als 14-jarig jongetje werd ik kampioen van de Leidse Schaakbond. Ik had mij daarmee gekwalificeerd voor het Nederlands kampioenschap (tot 20 jaar). Nu moet ik eerlijk zijn dat de beste twee Nederlandse (jeugd-) schakers van dat moment, de broertjes Marcel en Jeroen Piket, niet mee hoefden te doen aan deze (lokale) voorronden. Zij waren automatisch geplaatst voor de finale. Marcel Piket was namelijk regerend Nederlands Jeugdkampioen. In de eerste ronde moest ik direct tegen hem spelen. Mijn partij kwam op Teletekst (we zitten ver voor het internettijdperk); dat zal ik niet snel vergeten. Ik speelde een hele solide partij en miste een mooie kans op voordeel, waarmee ik wellicht had kunnen winnen. De partij werd in gelijke stand na 40 zetten afgebroken; zo ging dat toen nog als een partij te lang kon gaan duren. Tegenwoordig wordt er altijd met extra tijd doorgespeeld tot het afgelopen is. De volgende dag moest ik mijn partij uitspelen. Het was toen binnen een paar zetten afgelopen. Zijn secondanten (lees: meegereisde team van goede schakers) hadden alle mogelijke zetten en daaruit voortvloeiende stellingen compleet geanalyseerd, zodat Marcel het karwei tegen mij kon afmaken. Ook hier laat de afloop zich raden, ik eindigde in dit kampioenschap één na laatste (geloof van 18 deelnemers) en Jeroen Piket (jongere broer van Marcel) werd kampioen. Toch is het meedoen aan dit Nationale Kampioenschap een blijvende herinnering. Ook zal ik niet snel vergeten dat ik eens tijdens een regionaal toernooi een drie jaar jonger (maar wel getalenteerd) jochie versloeg en daarmee het toernooi won. Dat jochie is later één van de beste Nederlandse schakers ooit geworden, te weten Loek van Wely. Hij werd zeven keer Nederlands kampioen, waarvan de laatste keer in 2014. Ik kan me de beginzetten van die partij tegen Van Wely zelfs nog herinneren. Een scherpe Siciliaanse partij, waarin ik met de witte stukken speelde met als tweede zet pion c3. Die variant speel ik vandaag de dag nog steeds.

Sinds je op je computer (tegenwoordig ook op smartphone) kunt schaken tegen andere mensen op de wereld, speel ik met enige regelmaat een spelletje op Chess.com (meestal via hun app). Ik ben alleen niet meer zo scherp als vroeger. Daarnaast is ook mijn kennis over het openingsspel dusdanig vervaagd, dat ik vaak al naar zo’n zet of tien moet “vechten” voor een goede stelling. Om toch nog enige kans te maken, speel ik eigenlijk altijd snelschaak (voor de hele partij 3 minuten per persoon plus 2 seconden erbij voor iedere gedane zet). Hiermee probeer ik “cheaters” te ontlopen. Computers kunnen tegenwoordig namelijk alle schaakzetten bedenken. Sommige schakers weten daar zelfs tijdens het online spelen gebruik van te maken.

Wisten computers destijds (1997) Kasparov weleens te verslaan, de huidige wereldkampioen, Magnus Carlsen, is zo’n fenomeen, dat hij zich niet laat verschalken. Hij wordt niet voor niets de “Mozart van het schaken” genoemd. En ook al heb je wat minder met het schaakspelletje, dan nog kan ik de boeiende documentaire “Magnus” over hem aanraden. Je vindt ‘m nu hier.

Niet minder interessant is het om de komende jaren de schaakfamilie Van Foreest te volgen. In de documentaire “de Stelling van Foreest” zie je hoe de kinderen (vier jongens en klein meisje) onderwijs krijgen van hun ouders (niet naar school gaan dus) en worden opgevoed om als schakers succesvol te worden. Hier heb ik wel afentoe tenenkrommend naar zitten kijken. De documentairemakers misten in mijn ogen enkele kansen om dieper op het wel en wee van de kinderen in te gaan. Had graag van de kinderen zelf iets meer gehoord. Desalniettemin een bijzonder verhaal. De twee oudste broers Jorden en Lukas spelen op dit moment in de Challengers Groep van het Tata Chess Tournament (voorheen: Hoogovens schaaktoernooi) en Magnus Carlsen natuurlijk in de Hoofdgroep “Tata Steel Masters”. Hierdoor heb ik het schaakvirus ook weer even te pakken. Deze partijen zijn tegenwoordig “Live” te volgen via de computer.

Waaraan bewaar ik zelf als schaker de beste herinneringen? Misschien toch de momenten dat ik vrienden verraste met feit dat ik het spelletje zo grondig beheers, dat ik ook kan blindschaken.  Zonder naar het bord te kijken, kan ik de zetten doen (doorgeven dus) en zie ik het bord als het ware voor me.  Zo zocht ik in mijn studententijd vaak onwetende opponenten om met “hoge” inzet tegen mij te schaken (terwijl ik “blind” speelde). Mijn beste vrienden kenden ondertussen mijn geheime wapen (lees: m’n verpeste jeugd waardoor ik heb leren schaken) natuurlijk. Als de inzet tot grote hoogte was opgelopen (soms zelfs tot heel vat bier) en ik door alle commotie (vaak speel je ongezien tegen de halve kroeg) niet meer exact wist, waar alle stukken precies stonden, dan had ik samen met m’n vrienden een truc bedacht.

Zij zouden dan “per ongeluk” even tegen het bord aanstoten, waardoor wat stukken omvielen. Ik bood dan altijd aan om de stukken weer terug te zetten (had de stelling toch immers in mijn hoofd), maar kon dan ook direct m’n positie goed in mij opnemen. Op die manier kreeg ik alles weer scherp op vizier en maakte er dan met paar vernietigende zetten een eind aan, schaakmat (en direct aan het bier)!