Ho ho ho

Dit is niet de lokroep van de Kerstman, die met bassende stem en gulle lach ons tegemoet komt sleeën. Het is meer het geluid in onze de maatschappij, waarin de mens zich blijft verzetten tegen veranderingen.

En natuurlijk wordt ons kinderfeest niet om zeep geholpen door een paar roetveegpieten. Kinder hebben weinig moeite met al deze schepsels, zolang de cadeaus maar binnen blijven stromen. De pro-Zwarte Piet activisten, die maar krampachtig blijven vasthouden aan het traditionele Sintfeest, zijn waarschijnlijk bejaarden… “die hebben pret voor tien als ze Ronnie Tober zien”… Paul de Leeuw heeft daar in z’n goeie jaren – da’s wel lang geleden – nog eens een grappig liedje over gemaakt.

Kinderen hebben de roetveegpieten al lang geaccepteerd. Geloof het of niet, maar dat is natuurlijk al onderzocht door allerlei geleerden. En zelfs mijn eigen moeder, die toch echt wel de bejaarde leeftijd heeft bereikt, geeft aan dat er veel belangrijkere dingen in de wereld zijn om over te discussiëren. Dat ik slecht kan omgaan met het schaamteloze liegen over het Sinterklaasfeest in het algemeen heb ik al eerder hier aan jullie toevertrouwd. Het hoofdstuk Sint & Piet lijkt me hiermee aan de vooravond van het heerlijk avondje afgesloten.

Er zijn in de wereld grotere uitdagingen. Ben zelf net in een interessant boek begonnen, “De Tovenaar en de Profeet” van Charles Mann (63). De vraag die hierin centraal staat is: Hoe houden we deze planeet leefbaar? Moeten we radicaal kiezen voor besparing, of voor technologisch optimisme? Als m’n kinderen net zo oud zijn als ik nu, dan wonen er naar verwachting tien miljard mensen op aarde. Dit brengt enorme uitdagingen met zich mee. Hoe gaan we in 2050 tien miljard monden voeden? Hoe gaan we het probleem van de opwarming van de aarde, met grote kans op blijvend natte voeten in ons landje door stijging van de zeespiegel, aanpakken? Hoe komen we af van vervuilende fossiele brandstoffen zonder al teveel in te hoeven leveren van onze huidige luxe leventjes?

Moeilijkheid bij het oplossen van deze wereldwijde vraagstukken, waarover ik ook thuis regelmatig in discussie ga met m’n ega, is dat er twee kampen lijnrecht tegenover elkaar lijken te staan. Aan de ene kant heb je de techno-optimisten (door Mann in z’n boek Tovenaars genoemd) die geloven in het vernuft van de mens om problemen te overwinnen met hoogwaardig technologische oplossingen. Dat is eerlijk gezegd de groep, waartoe ik mijzelf reken. Aan de andere kant heb je de ecologen (Profeten) die waarschuwen dat de mens druk bezig is de aarde compleet uit te putten. Zij willen grenzen aan de groei en leggen de nadruk op soberheid en duurzaamheid. Krijg hier thuis steeds minder vlees, mag al bijna niet meer vliegen, en bijna alle groenten komt al uit eigen (onbespoten) kas. Mag duidelijk zijn, wie hier thuis de broek aan heeft. In hergebruik van spullen kunnen wij elkaar overigens wel goed vinden. Het zijn de uitdagingen, die bij een goed huwelijk horen. Zo las ik laatst deze geestige spreuk over het huwelijk: “samen problemen oplossen, die je in je eentje niet zou hebben…”

Mann bespreekt in z’n boek de tegenstellingen aan de hand van twee mannen, die ieder aan de wieg hebben gestaan van de geboorte van deze twee kampen. Norman Borlaug (1914 – 2009), die gezien wordt als de grondlegger van de “Groene Revolutie”. Het grootschalig gebruik van kunstmest, pesticiden en verbeterde zaden zorgde voor hogere opbrengst in de landbouw, waardoor tientallen miljoenen mensen gevoed konden worden en in leven bleven. Het betekende overigens ook schade aan bodem en water. De andere man William Vogt (1902 – 1968), die ook een Amerikaanse ecoloog was, stelde z’n leven in dienst van pleidooien om mensen te overtuigen een stapje terug te laten doen. Welvaart is niet onze grootste verdienste, maar het grootste probleem. Waar Borlaug riep “meer, meer, meer”, pleitte Vogt voor “minder, minder, minder”. Waar kennen we dat ook alweer van?

En als het allemaal niet over het lot van onze kinderen zou gaan, dan zouden we er ons misschien niet eens zo druk over maken. Tovenaars en Profeten zijn ook niet zo zeer twee scherpe tegengestelde uiteinden van het continuüm, maar zouden elkaar theoretisch in het midden kunnen raken. Merk hier thuis wel dat dat nog een hele uitdaging is. Heftig aan de botsing tussen de twee zienswijzen is dat het niet zozeer gaat over feiten, maar over waarden. Ideeën over de wereld en de plek van de mens daarin. Voor Profeten is de wereld eindig, en zijn mensen onderworpen aan het milieu. In de ogen van de Tovenaars zijn de mogelijkheden onbegrensd, en zijn mensen sluwe beheerders van onze planeet. Het is geen kwestie van goed tegenover kwaad, maar van verschillende opvattingen over het goede leven. Het boek gaat over de manier waarop mensen met verstand van zaken zich kunnen bezinnen op toekomstige keuzes. Niet over wat er in dit of dat scenario gebeurt. Er worden geen voorspellingen gedaan in het boek. Mijn vrouw en ik hebben afgesproken het boek allebei “parallel” te lezen. Als we het boek uit hebben, zijn we zeer waarschijnlijk nog meer in verwarring. Wordt ongetwijfeld en hopelijk vervolgd.

Ondertussen is in de Alpen de eerste sneeuw gevallen. Klimaatverandering, één van grote toekomstige uitdagingen, zal ik hier nu nog niet bespreken. Hierover kunnen de meningsverschillen enorm hoog oplopen. Voor de wintersportliefhebbers, die de komende tijd weer als kuddedieren de berg opkruipen, is het in ieder geval een fijne gedachte dat er in de Alpen een witte Kerst zit aan te komen.

Nog even over de Kerstman gesproken. Heb laatst gehoord dat we ook moeten vrezen voor de toekomst van deze altijd blanke en mannelijke figuur, die deze mannelijkheid ook nog eens versterkt door z’n “versieringen” – een piek en ballen – altijd in de kerstboom te hangen om er vervolgens ook behoorlijk wat wit spul overheen te spuiten. Oei, oei, oei!

De komeet

Een komeet is niet alleen een hemellichaam met een staart, maar ook iets om alles wat met ongelooflijke snelheid ons leven “binnenkomt” te omschrijven.

Zo las ik recent over de komeetachtige ontwikkeling van de jonge voetballer Matthijs de Ligt. Dit 19-jarige talent – Neerlands hoop in bange voetbaldagen – geboren in het rustieke Leiderdorp, waar ik zelf ook een belangrijk deel van mijn jeugd – de middelbare schooltijd- onbezorgd heb doorgemaakt, brengt dit jaar veel moois voor de voetballiefhebber. In het bijzonder natuurlijk voor alle Ajax-fans. Zo lijkt de naamswijziging van de Arena, die sinds dit seizoen eindelijk de naam draagt van de in maart 2016 overleden voetballegende, samen te gaan met de wederopstanding van het Nederlandse voetbal als je dit mag afmeten naar de prestaties in de Europese competities. Niet lang geleden schreef ik nog over de malheur op de velden.

Recent was ik zelf in deze Johan Cruyff Arena getuige van een wel heel makkelijk cadeau gekregen overwinning op Feyenoord. Naar aanleiding daarvan wil ik direct pleiten voor een nieuwe spelregel. De snelle rode kaart (na 5 minuten) voor een totaal zinloze overtreding – speelde zich ergens aan de zijlijn af, ver van waar ik zat, kon niet eens zien wat er gebeurde – van de Feyenoorder St. Juste verpestte met z’n onbesuisde actie het plezier van alle mensen die erg uitkeken naar deze enige echte klassieker, die het Nederlandse voetbal rijk is.

Zou dan ook direct willen voorstellen om bijvoorbeeld analoog aan de hockeyregels de mogelijkheid te creëren voor een scheidsrechter om een speler voor een bepaalde tijd (bijvoorbeeld 15 tot 30 minuten) uit het veld te sturen, zodat er nog steeds gedeeltelijk een echte wedstrijd overblijft na een rode kaart. Uiteraard dient de speler wel geschorst te worden voor de komende wedstrijden. De verlosser Johan was niet alleen befaamd om z’n taalgebruik, maar had ook invloed. Hij had zo’n wijziging in regels snel gedaan kunnen krijgen. Zo was hij er in 2005 bijna persoonlijk verantwoordelijk voor dat de belasting op schenkingen (tot dat moment 8%) geheel is vervallen. Dit heeft enorme impact gehad op de vrijgevigheid van mensen. En dat hebben we allemaal aan Johan te danken

Nu wil het geval dat mij afgelopen week de eer toeviel om als jurylid van de Ignite Award een tweetal mooie prijzen (lees: schenkingen) te mogen toekennen. Deze Ignite Award werd voor de vierde keer perfect georganiseerd door het Anton Jurgens Fonds. Wat maakt deze Award zo bijzonder? Het gaat letterlijk om het laten “ontvlammen” van sociaal ondernemerschap. Sociale ondernemers bedenken namelijk vaak hele innovatieve oplossingen voor maatschappelijke problemen. De energie waarmee zij aan de slag gaan om hier iets aan te doen is echt “aanstekelijk”.

Om nog maar even in de sfeer van verbranding te blijven. Ben zelf zijdelings betrokken bij een eerdere deelnemer aan de Ignite Award – overigens geen winnaar destijds – te weten de onderneming, Fair Coffins, die ecologisch uitvaartkisten (ja, doodgewone doodskisten dus) vervaardigd van hoogwaardig karton zonder gebruik van spaanplaat, allerlei verontreinigende lijmen en niet afbreekbare schroeven. De assemblage (zeg maar het vouwwerk) van deze compleet recyclebare kist wordt gedaan in een sociale werkplaats door mensen met een zekere afstand tot de arbeidsmarkt. Zo’n lichtgewicht, maar ook absoluut sterke kist, is ook arbo-technisch nog eens zeer verantwoord. Zo innovatief kan een “social enterprise” zijn. Dit moeten jullie deze keer niet als schaamteloze reclame zien, maar als waardering van mijn kant voor deze ondernemer. Koen, ga zo door! Netals alle andere sociale ondernemers, die met allerlei bijzondere initiatieven bezig zijn. Zij kunnen uw (belastingvrije) steun goed gebruiken.

Waar ik ongevraagd wel weer een beetje promotie voor wil maken, is de tweede serie van de documentaire Making a Murderer. Het waargebeurde verhaal heb ik hier al eens beschreven, maar het mysterie blijft. Mijn fascinatie voor dit soort onopgeloste zaken heb ik al eens eerder opgebiecht. Het gaat mij daarbij niet sec om de waarheidsvinding, maar juist om de onschuldpresumptie. Daar is m’n lijfspreuk weer: “Niks zo onwaarschijnlijk als de werkelijkheid.”

In deze zaak speelt er van alles. De betrouwbaarheid van bekentenissen (in hoge mate die van Brendan natuurlijk), getuigenverklaringen en op de achtergrond een miljoenenclaim van 36 miljoen dollar, die Steven Avery nog tegoed heeft van z’n vorige 18 jaar, die hij reeds onschuldig in de gevangenis heeft gezeten. Met zijn huidige levenslange gevangenisstraf is hij ook alweer 11 jaar onderweg.

Het is ook de alledaagse setting van Manitowoc County in Wisconsin (een relatief onbekende staat, waar ik zelf ooit ‘ns geweest ben) waar hele gewone mensen iets heel vreemds en macabers meemaken. Denk hierbij zeker ook aan de nabestaanden van het slachtoffer. Er loopt ergens namelijk wel een vreselijk gewelddadige moordenaar rond, maar ik denk niet dat het Steven Avery is. Natuurlijk realiseer ik mij dat het hier gaat om een commerciële Netflix documentaire, waarvan de makers proberen de kijkers aan het denken te zetten door op een hele spannend gefilmde en gemonteerde manier het verhaal te vertellen. De in deze tweede serie zeer prominent gepresenteerde nieuwe advocaat van de beklaagde Steven Avery, Kathleen Zellner, is overigens zeer gedreven om de waarheid boven tafel te krijgen en Avery als onschuldige uit het gevang. Dat heeft ze al menig keer voor elkaar gekregen bij andere (onterecht) veroordeelden. Haar treft niet voor niets wereldfaam.

Nu mijn beoogde nieuwe carrière als strafpleiter al vroeg in de dop gesmoord is – overigens was dat wel het begin voor mij als blogger – moet ik mijn portie speurwerk halen uit het “meekijken” in openbare dossiers, zoals deze. Boeiend is het om te zien hoe Zellner in deze fase na de veroordeling alsnog alles op alles zet om Avery vrij te krijgen. In de kleinste details zoekt zij de oplossing voor het mysterie, hoe Teresa Halbach precies om het leven is gekomen. Voor sommigen zal dit heel saai zijn, maar ik had géén enkele moeite met deze tien uur durende binge watch sessie. Het regende toch afgelopen weekend en van een paar uurtjes minder slaap is nog nooit iemand heengegaan. En ik moet zeggen dat ik na al die uren wel een grote “fan” van haar ben geworden. Volg Zellner nu ook op Twitter. Zo krijg ik m’n dagelijkse portie. Dat dit een “old school” medium is, realiseer ik me. Géén enkel kind zit nog op Twitter. Maar dat geldt bijna ook al voor Facebook onder jongeren. De grote uittocht daarvan is begonnen. Dat ik daar nooit op heb gezeten, hoef ik mij niet meer voor te schamen.

Ondertussen probeer ik zelf als een komeet de “mediationladder” te beklimmen. Dat is nog een hele uitdaging. Het valt me bij alle rollenspelen – met acteurs soms, dat is het leukste – nog steeds moeilijk om de goede balans te vinden tussen het houden van de regie en het geven van ruimte in de mediation. Misschien ben ik ook hier wel teveel gericht op de waarheid of de oplossing. Dat zal ik moeten leren loslaten.

Hoop daarmee binnenkort voor het eerst écht mee aan de slag te kunnen gaan. Na nog enkele trainingen start ik als vrijwillige buurtbemiddelaar hier in de gemeente. In bijna net zo’n alledaagse omgeving als die van “Making a Murderer” zal ik ongetwijfeld ook de meest vreemde zaken tegen het lijf lopen. Heb heel veel zin om snel wat vlieguren te gaan maken. Niet als een komeet, maar gewoon behoedzaam vliegend. Het zal zeker de nodige bijzondere verhalen opleveren.

Winterklaar?

Is uw tuin al winterklaar? Dat zijn de gevleugelde woorden van de Hagenezen (dat wil zeggen er geboren en getogen zijn; als je er alleen maar woont ben je een Hagenaar) Jacobse & Van Es, die langs deuren en tuinen gaan om dames op leeftijd op te lichten met hun “welgemeende” tuinadvies. Oh, oh, oh, oh, mevrouwtje, we hadden géén dag later moeten komen… Ze behandelen het zogenaamde scheurgras door er basterdsuiker overeen te strooien, terwijl het wordt aangeprezen als neutronenkorrels. Als er dan ook nog sprake is “bladschurf” wordt de halve tuin ontdaan van z’n mooie struiken en planten, die vervolgens weer bij buren elders in de straat aangeboden worden als winterklare heesters gegarandeerd zonder “takkeschurf”. Een gouwe ouwe van Van Kooten & De Bie dus.

En misschien is deze mevrouw wel heel blij met haar “nieuwe” heesters. Bij veel zaken in het leven staan er winnaars en verliezers tegenover elkaar. Neem allereerst eens de handel in aandelen van bedrijven op de beurs. Bij iedere koop is er ook een verkoper. De verwachting van de eerste is dat de prijzen zullen stijgen. De andere partij verwacht juist het tegenovergestelde, een daling dus. En hoewel bedrijven in waarde kunnen stijgen, is beleggen op de beurs absoluut een “zero sum game”. Iedere euro, die uit de beurs wordt gehaald, is afkomstig van een andere belegger. Mooi is wel dat beiden zich gelukkig kunnen voelen. De verkoper voelt zich misschien winnaar omdat hij het aandeel met 20% winst verkoopt, terwijl de koper zich winnaar voelt omdat hij een aandeel koopt, dat in zijn ogen 20% meer waard is, dan dat hij ervoor heeft betaald. In een groter plaatje is het ook goed om te realiseren dat als in het nieuws gesproken wordt over “Beleggers dumpen aandelen Facebook”, dat er ook had kunnen staan “Beleggers kopen gretig aandelen Facebook”. De enige echte winnaar van dit spel is de organisator, te weten de bank of broker, die hiervoor transactiekosten in rekening brengt. Hoe meer handel, hoe meer winst voor deze organisator. In plaats van naar goud te zoeken, kan je beter de spatels en scheppen verkopen…

Als aandelen in een bepaalde periode flink gedaald zijn – de beursindexen zijn flink gezakt – dan wil bijna niemand meer die “laag geprijsde” aandelen kopen met als gevolg dat transacties op een steeds lager niveau plaatsvinden (minder vraag, dan aanbod). Stel je nu eens voor dat je hoort dat de Levi spijkerbroek, die je wilt hebben, om de hoek te krijgen is met zo’n 30% korting, dan loop je direct naar die winkel toch. Bij dalende aandelenkoersen rennen de meeste mensen echter naar de uitgang. Beleggen is dan ook in veel opzichten een fascinerend fenomeen.

Zolang je slimmer bent dan een ander kan je winnen. Dat is iets anders dan over voorkennis beschikken; ik bedoel in dit geval meer kennis van zaken. Zo kan je met een hele lucratieve transactie wel tien missers goedmaken. Dat is toch wat anders dan de chirurg, die vijf keer op honderd operaties een foute beslissing maakt, waardoor iemand voor de rest van z’n leven “beschadigd” is. Deze dokter kan vervolgens direct naar een andere baan gaan zoeken. Buiten het ziekenhuis wel te verstaan. Misschien gaan beleggen?

Is beleggen dan zo makkelijk? Ik zou zeggen “ja” en “nee”. In onze markteconomie hangt de waarde van iets af van wat de gek ervoor wil geven. Het gaat mis als iedereen op hetzelfde moment iets wil hebben, waardoor de prijs onverantwoord snel omhoog gaat. Zal hier niet nog een keer over de bitcoin gaan uitweiden, dat heb ik al eerder gedaan.

Zeepbellen zijn van alle tijden. Elke keer als mensen massaal met de kudde een bepaalde kant oprennen, dan gaat het mis. Al eerder memoreerde ik de woorden van de ook door mij hoog aangeschreven superbelegger Warren Buffett in mijn blog over kuddegedrag.

Wees wantrouwend als je opvallend veel mensen in je omgeving hoort over cryptomunten, die het super doen, of een verhuurbaar huisje hebben gescoord (er waren wel vijftig andere gegadigden!). Niet meegaan met de hype is lastig, maar besef dat populair eigenlijk altijd “te duur” betekent. Je kunt beter iets doen wat niemand nog doet, dan ben je sowieso goedkoper uit. Dat is in ieder geval zeepbelvrij.

Ook is het verstandig om experts niet klakkeloos te volgen. Vaak heeft zo iemand wel een eigen agenda. Zo raad ik aan om de gasten in het programma Business Class van Harry Mens niet al te serieus te nemen. Het verschil tussen een beursgoeroe en een oplichter is soms maar klein.

Verder is het belangrijk om van het verleden te leren. Als mens hebben wij maar een beperkt geheugen of zijn we simpelweg nog niet oud genoeg om alles al een keertje te hebben meegemaakt. Elke zeepbel of crisis lijkt veel exceptioneler dan die in werkelijkheid is. Een crisis kan je beter zien als een natuurverschijnsel, dat zich met zekerheid af en toe voordoet. Om hiervan niet de dupe te worden, kan je ervoor kiezen om je beleggingen te spreiden over allerlei zaken. Nog beter is het om géén geld maar mooie momenten te sparen.

Dat laatste doe ik nu door samen met m’n oudste dochter een Personal Fitness Programma (van 26 weken!) te doorlopen met 100% resultaatgarantie. Wat dat ook mag betekenen. Of de totaalaanpak van work-out, voeding en mental coaching gaat werken, ga ik jullie zeker vanaf deze plek laten weten. We zijn pas net begonnen, dus nog lang niet winterklaar…

Back to school again

De eerste blog die ik zo’n bijna twee jaar geleden schreef toen ik net aan m’n studie rechtsgeleerdheid was begonnen, was getiteld “Back to school”. Mijn trouwe bloglezers weten dat ik na een jaar gestopt – niet gesjeesd, zoals sommige van mijn vrienden “pestend’ zeggen – ben met deze studie.

Ik heb echter de handschoen (van het studeren) weer opgepakt en ben recent gestart met een mediationopleiding. Deze is gelukkig niet zo intensief en schools als een voltijdse studie aan de universiteit, maar bestaat uit een meerdaags programma (verdeeld in blokken over een periode van 3 maanden) met gelukkig veel interactie.

Zo wordt de theorie direct in praktijk gebracht met rollenspelen. Hoewel de meeste medeleerlingen allemaal “gelijkgestemden” (qua leeftijd, vooropleiding en achtergrond) zijn, blijft het spannend om onder toeziend oog van elkaar en de coaches het geleerde op het toneel ten uitvoer te brengen. In de rol van ontslagen medewerker kan ik mij snel verplaatsen, maar als mediator is het moeilijk om op een natuurlijke wijze de regie en de rust te houden bij het oplossen van een conflict. L.S.D. staat in dit geval dan ook niet voor één of andere drug, waarvan je lekker gaat “trippen”, maar voor Luisteren, Samenvatten en Doorvragen. Hoe simpel het ook klinkt, het blijkt toch een kunst te zijn om dit te blijven doen. Ik vind het zelf ook best lastig als je de conflicterende partijen samen tot een oplossing ziet komen, welke voor mijzelf aanvoelt als een “slechte deal”. Of ik dan ook geschikt zal zijn om een goede bemiddelaar in conflicten te worden, moet nog blijken.

De materie vind ik sowieso boeiend. Naast de onderhandelings-, psychologische en juridische aspecten is “basale” communicatie vaardigheid van belang. Neem bijvoorbeeld de “communicatiemuur” in gedachte, dan is het best ingewikkeld. Oh ja, misschien moet ik eerst even iets uitleggen hierover. Wij communiceren niet altijd zo eenvoudig als we zelf denken. Wat voor jezelf een klip & klare boodschap is, kan door de ander heel anders opgevat worden. Er kan flink wat ruis op de lijn zitten, dat zorgt dat de ander niet reageert, zoals je zelf verwacht. Hierin worden 5 niveaus onderscheiden (toelichting lijkt mij overbodig):

Bedoeld ≠ gezegd
Gezegd ≠ gehoord
Gehoord ≠ begrepen
Begrepen ≠ akkoord
Akkoord ≠ gedaan

Alleen al op basis van een paar sessies, merk ik dat ik nu anders een gesprek voer. Dat in combinatie met de Harvard Methode van onderhandeling – kort gezegd: “hard op de inhoud, zacht op de relatie” – zorgde al voor wat gefronste wenkbrauwen bij m’n ega en dochters thuis.

Zonder hier alle tops & tips (manier van feedback geven!) van mediation te willen bespreken – ben pas twee dagen onderweg met de opleiding – durf ik zeggen dat er voor mij nog héél wat te leren valt in effectief communiceren. Voor een mediator ligt er de uitdaging om de partijen te brengen van standpunten (zeg maar de zelfbedachte oplossing voor een probleem, onderbouwd met regels etc.) naar belangen (wat er werkelijk aan ten grondslag ligt). Emoties kunnen daarbij erg helpen om deze belangen boven tafel te krijgen. Laat mensen maar hun hart uitstorten. Zo blijkt angst vaak de bron van een conflict.

De mediator moet bij een conflict dus niet oplossingsgericht zijn, want dat is contraproductief. Je bent dan al snel partijdig. Het gaat juist om “meervoudige” onpartijdigheid, waarbij zijn of haar oordeel niet van belang is. In het woud van conflicterende, gemeenschappelijke en complementaire belangen, zoekt de mediator naar de materialen om partijen zelf tot een oplossing te laten komen.

Voordat ik al te filosofisch word – dat zijn jullie ook niet van mij gewend –heb ik begrepen dat niet alle conflicten geschikt zijn voor mediation. De basis daarvoor is namelijk dat partijen bereid zijn zelf samen tot een oplossing te komen. In sommige gevallen is een onpartijdige derde hiervoor nodig en in extremis een rechter. Als ik terugkijk naar m’n eigen zakelijke geschillen in het verleden, denk ik echter wél dat mediation in veel gevallen in ieder geval sneller en vaak ook tot een betere oplossing had geleid. Deze zaak was er in ieder geval geschikt voor geweest.

Om alvast wat te oefenen met de nieuwe aanpak heb ik mij opgegeven als vrijwilliger voor buurtbemiddeling in onze gemeente. En dan doel ik niet op alle echtelijke ruzies en of scheidingen, die ook hier in de buurt voorkomen. In dat kader is het overigens mooi om te lezen hoe deze week een kinderrechter zich in haar uitspraak direct richtte tot het kind in een vechtscheiding. De ouders kregen er vol van langs.

Dat wederzijdse verwijten en emoties ook voor min of meer triviale zaken hoog kunnen oplopen, kan je terugzien in de Top 3 Ergste Rijdende Rechter Ruzies. Zou bijna willen adviseren ”zet het geluid uit”. Laat mij in beginsel maar de categorie “overhangende takken in de tuin van de buurman” geschillen tot een goed einde brengen. Dan hou ik daarbij de 4 B’s van emotie in gedachte en hoop dat het lukt om de mensen van Bang naar Boos, naar Bedroefd, naar Blij te krijgen. Er is genoeg zendingswerk te doen als ik zie hoeveel zaken hier in de gemeente spelen.

En dat zelfs de Rijdende Rechter er een keer aan te pas moest komen om te bepalen wie de Verkiezing van het jaar voor de “Slechtste Slogan” in 2016 mocht winnen, én dat diegene die de wedstrijd won hier woont, is dan wel heel bizar. “Zit je haircut?

Mijn werkelijke ambitie is overigens om zakelijke partijen bij te staan bij onderhandelingen en conflict management. Had daarvoor alvast een pakkende slogan bedacht: “Marel, een Meester in Mediation”. Hiermee ben ik ongetwijfeld de gedoodverfde favoriet voor de wedstrijd “Slechtste Slogan” van 2018!

“Wat van ver komt…”

Ze zeggen “wat van ver komt, is lekker”. Dit spreekwoord betekent dat men geneigd is om wat van ver komt als bijzonder aan te merken. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat we tegenwoordig als gekken de hele wereld over vliegen. Er zijn volgens mij de afgelopen veertig jaar maar weinig dingen écht goedkoper geworden, maar vliegen is dat voor m’n gevoel wel.

Ondertussen klagen we steen en been dat ons eigen landje overspoeld wordt door rolkoffertoeristen, maar zelf kunnen we er ook wat van. Vroeger was het een statussymbool als je gebruind thuiskwam van vakantie, want dan was je ieder geval “rijk” genoeg om een ticket te betalen naar zonnige oorden. Die tijden zijn wel veranderd. Als je dit jaar trouwens in Nederland bent gebleven, was dat ook net goed voor je huidje. De UV-straling van de zon blijkt nog nooit zo schadelijk te zijn geweest als hier de afgelopen maand, omdat er letterlijk géén wolkje aan de lucht was.

In ieder geval vliegen we tegenwoordig allemaal alsof het onze lust en leven is. Aan de andere kant maakt men ons steeds meer bewust van de enorme schadelijke effecten voor het milieu ervan. “Eén retourtje Amsterdam-New York is net zo schadelijk als het eten van duizend Big Macs.” volgens de Correspondent. Het zou dan ook een goede zaak zijn om ons milieuvervuilende gedrag te beperken of op z’n minst te compenseren.

Wij zijn daarom – da’s natuurlijk niet helemaal waar, of eigenlijk helemaal niet waar – deze zomer relatief dichtbij huis gebleven. Er is in ieder geval over nagedacht. Een mazzeltje daarbij was de zeldzame warme (en daarmee droge) zomer. Sinds we de temperaturen en dergelijke te meten en bijhouden (dat doen ze vanaf 1901) was zoiets nog bijna nooit voorgekomen. Het record uit 1976 dreigt verbroken te worden. Wat houden we toch van ranglijstjes! Het was in elk geval een on-Nederlands mooie zomer. We gaan nog vier ongewoon warme zomers tegemoet voorspellen de wetenschappers, althans als we de weerprofeet van de Volkskrant, meneer Drijfhout mogen geloven.

Ons als zuinige Hollanders kennende, zal er nu wel weer massaal het komende jaar een vakantie in eigen land geboekt worden. En ik durf te zeggen: “dat is sowieso de moeite waard”. Zo fietste ik in vier dagen 320 kilometer met m’n jongste dochter in lijn met het Pieterpad naar het noorden (gestart in Nijmegen) langs de meest schitterende (verlaten) plekjes. Plaatsen waar ik nog van had gehoord, laat staan dat ik er ooit was geweest. Ik waande me soms écht in het buitenland, al was het maar omdat sommige dialecten ook niet direct goed verstaanbaar waren. Of was dat niet de reden dat we per ongeluk in soort nudisten hotelletje terecht kwamen? We kwamen er in ieder geval achter dat Drenthe de fietsprovincie van Nederland is; waarschijnlijk door zichzelf zo benoemd, want ook Gelderland heeft diezelfde ambitie. Daar was het inderdaad ook mooi fietsen trouwens. Daarnaast is het al fietsend niet goed mogelijk om “mobiel” te zijn, dus als vanzelf ontstonden er mooie gesprekken tussen vader en dochter. We zijn nu nog grotere “matties”.

En zoals ik m’n vorige blog al aankondigde, eindigden we in ‘t ol oude Groningen, de mooiste stad van ‘t noo-hoorden… Een bezoekje aan m’n oude studentenhuis en de sociëteit deden de ogen van m’n dochter wijd openstaan. Ze wil nu niets liever dan ook daar gaan studeren; heb het écht niet gepusht ofzo. Denk dat de populariteit van deze stad – vorig jaar verkozen tot de leukste studentenstad van Nederland – beter te verklaren is door de grote afstand tot menig ouderlijk huis (of zoals wij vroegen zeiden “thuis-thuis”). Ze zeggen niet voor niks: “Wat van ver komt…” Heb nu wel twee (van de drie) dochters, die niets liever willen dan in Groningen studeren. Moeten we ons zorgen maken?

Wellicht komt het door de “verplichte” kampjes, waar we ze dit jaar naartoe hebben gestuurd. Wij zien dat als een belangrijke stap naar zelfstandigheid, maar dit wordt niet door onze kinderen niet altijd zo gezien. De twee weken Engelse Summerschool werd in beginsel een “strafkamp” genoemd; uiteindelijk viel het toch mee, en was het zelfs een behoorlijk positief geluid te horen. Het “activiteitenkamp” (met hoog ponygehalte) voor de jongste was een complete misser, maar gelukkig ontdekten we als alternatief op enkele kilometers van huis nog een hartstikke leuk zeilkamp. Dit hadden we nog nooit eerder gezien. Over dichtbij huis gesproken… De andere dochter was voor hetzelfde (zeilen) al voor het zoveelste jaar met veel plezier naar Fryslân afgereisd.

Al dit vertier voor de kinderen betekende wel dat we ergens deze zomer een weekje zonder kinderen – dat was lang geleden – konden bewegen. Ook wij ontdekte dichtbij een vertrouwde vakantiestek veel nieuwe dingen. Soms hoef je niet de hele wereld rond te reizen om verrast te worden door leuke lokale marktjes en musea van bijzondere aard. Wat het wel makkelijker maakt, is de vrijheid die je hebt als je met z’n tweeën kunt bewegen in plaats van met een heel harem in je gevolg. Kinderen blijken het zelf ook heerlijk te vinden om even zonder toezicht van hun ouders te zijn. Natuurlijk missen we elkaar op enig moment wel allemaal, maar de “gezinsapp” biedt hier tegenwoordig uitkomst voor. Was overigens wel de eerste van ‘t gezin die wist hoe je zelf Gif’jes kunt maken en versturen (ja, ja, papa is géén digidino).

Voorzie nog wel wat mooie, uitdagende en dynamische jaren (gelukkig maar!) alvorens onze dametjes hun vleugels compleet zullen gaan uitslaan. Het was in vele opzichten een hete zomer. Denk overigens dat een zonnig klimaat heel bepalend is om dingen fijn of lekker te vinden, vandaar dat we normaliter als Hollanders graag warmere streken opzoeken. Misschien heeft die klimaatverandering dan toch één belangrijk voordeel, namelijk dat we niet meer zo ver weg hoeven…

Excelleren

De zomerperiode is altijd een mooi moment voor bezinning, terwijl we leven in een wereld, die iedere dag meer van ons lijkt te verlangen. Alles moet perfect zijn, of niet toch? We willen het beste zonder dat het andere mensen schaadt. Zijn we daar niet allemaal mee bezig, al dan niet bewust? Excelleren, dat willen we: erboven uitsteken, anderen overtreffen of ergens in uitblinken.

Zelf maak ik het bijvoorbeeld graag iedereen zoveel mogelijk naar de zin. Bijna dwangmatig… Het volgende feestje (ja, ja, volgend jaar 50) moet nog bijzonderderworden dan de vorige versies. Dat zal een uitdaging zijn, want m’n laatste Brazilian Party op 13 juni tijdens de wedstrijd Nederland – Spanje (WK 2014) zullen velen zich nog wel herinneren, al was het maar vanwege de uitslag van de wedstrijd of dat ene doelpunt van Van Persie.

Ook Messi en Ronaldo wilden graag excelleren tijdens het recente WK voetbal. Het lukte ze even niet om op het juiste moment te pieken. Dat betekende dat we ruim vier weken moesten kijken naar een stel Engelsen (football is not coming home – hier geestige parodie), hard bikkelende Kroaten (met kusje van Vida), mooi voetballende Belgen (ik vond Hazard de beste van iedereen – hij zelf ook) en natuurlijk de arrogante Fransen (ze kunnen zelfs niet normaal feest vieren). Nu hunkeren we allemaal weer naar een mooi Oranje momentje. Dat zal waarschijnlijk heel wat jaartjes gaan duren als we “de Staat van Oranje” (goede 4-delige documentaire over de crisis, waarin Nederlandse voetbal zich bevindt) mogen geloven.

Voor een wielerliefhebber – met name door het zelf beoefenen van de wielersport – zijn twee achtereenvolgende etappeoverwinningen van Dylan Groenwegen al redelijk uniek (nr 1 en nr 2). Raas en Zoetemelk waren de laatsten die dat presteerden. Je ziet ze nog zo voorbij komen in hun TI-Raleigh shirt. Over de “Posttrein” is ook een mooie documentaire gemaakt. Nu hebben we gelukkig Dumoulin, die voorlopig ook in de Tour de France nog steeds z’n mannetje staat in het klassement. Wat ik denk over doping in de sport, heb ik hier al eerder beschreven.

Ik probeer op mijn manier ook mijzelf continu te overtreffen op de fiets met als enige hulpmiddel afentoe een Gin & Tonic. Mijn favoriete app Strava helpt me hierbij. Per segment (afgelegd stukje asfalt) kan je zien of je je eigen beste tijd hebt overtroffen. Dan scoor je een “PR’tje” (persoonlijk record). Nog mooier is een KOM (“King Of the Mountain”); dit betekent dat je de allersnelste ooit bent op een bepaald weggedeelte. Er bestaat zelfs een Strava KOM hunters club en sommige mensen raken er bezeten door. De begeerte om iedereen te willen overtreffen (op de fiets dus)…

Heb trouwens lang gedacht dat het bekende spreadsheet programma “Excel” ook iets te maken had met excelleren. Dit nog steeds populaire programma bestaat in haar huidige vorm al sinds 1987. Jawel, precies mijn eindexamenjaar. Met recentelijk in m’n omgeving veel geslaagden examenkandidaten in m’n vriendenkring (kinderen van…) moest ik regelmatig weer even aan die “vrije” periode denken. Het is ruim 30 jaar geleden, maar staat me goed voor de geest. Natuurlijk komt dit ook door de vergelijking die je zelf continu in je hoofd maakt tussen je eigen gedragingen toen en die van je kinderen (in dezelfde leeftijdsfase) nu. Het jezelf overtreffen (in alle opzichten) lijkt voor de jeugd van tegenwoordig steeds meer de leidraad van hun leven. Waar gaat dat naartoe?

Gebruik Excel trouwens nog altijd regelmatig, zowel zakelijk, maar soms ook privé. Voor het maken van een afrekeningetje voor een vriendentrip heb je gelukkig een hele handige & eenvoudige app tegenwoordig, maar voor het overzichtelijk houden van de vakantieplanning van m’n dochters kon ik toch echt wel een “excelletje” gebruiken.

Er bleven welgeteld precies tien gemeenschappelijke dagen voor het gezin over om met z’n vijven iets te doen. Het is duidelijk dat we met onze tienerdochters een nieuwe fase ingaan. Daar is niks mis mee. Kan er juist erg van genieten dat iedereen andere interesses heeft en daarmee een eigen weg inslaat. Dit alles biedt ook weer ruimte om 1 op 1 iets met één van je kinderen te doen. Jullie raden het al. Ik ga met m’n jongste een groot stuk van het Pieterpad fietsen om te eindigen in Groningen. De stad waar ik in de jaren negentig zo’n vier jaar heel erg genoten heb van m’n vrijheid. Excelleren en excessen liggen soms dicht bij elkaar. Dat is overigens niet echt veranderd. Alleen het woord “Vindicat” is al voldoende om dit duidelijk te maken.

Misschien heb ik aan die tijd wel m’n eerder genoemde dwangmatigheid overgehouden om maar niks leuks te willen missen en ieder blij te maken. Heb ondertussen wel uitgevonden dat je dat alleen kunt bereiken door uit te blinken in vrijheid. Als je jezelf zoveel mogelijk flexibiliteit gunt, heb je de luxe om “last minute” keuzes te kunnen maken. Dat betekent tegenwoordig dat je je agenda zoveel mogelijk vrij moet houden. Goede vrienden, die dit lezen, zullen nu wellicht even met hun ogen knipperen, maar ik probeer echt m’n agenda leeg te houden. Dus geen etentjes met vrienden maanden vantevoren inplannen, maar “hopen” op een spontane date op ’t laatste moment. Je wilt immers toch altijd het liefste zijn op de plek die je zelf verkiest. Dus zo min mogelijk verplichte nummertjes, en liefst géén pijnlijke “afzeggingen”… Totnutoe valt het reuze mee met m’n sociale isolement.

Tegenover deze vrijblijvendheid staat, dat als ik zelf een tripje ofzo regel (zeker voor een groter gezelschap), er altijd voor zal zorgen dat niemand iets zal missen van de “actie”. Heb zelfs de neiging (lees: hele sterke drang) om in andermans gezelschap een dwingende houding aan te nemen. Begrijpelijk wordt dit niet altijd op prijs gesteld en vaak ook geridiculiseerd. Een mens is nooit te oud om te leren (heerlijke dooddoener, maar wél waar).

Stel voor dat we gewoon allemaal excelleren in vrijheid. Iedereen mag zelf bepalen, hoe hij of zij invulling geeft aan ‘t leven. Lekker pûh!

Parijs is nog ver…

Daar kom je pas achter als je er een keertje op de fiets naartoe bent gegaan. Het is en blijft een fantastische stad, hoe je er ook komt.

In mijn geval kwam ik er voor de eerste keer als kind. Je “beklimt” dan natuurlijk de Eiffeltoren. Meneer Gustave Eiffel heeft destijds in 1889 toch een mooi bouwwerkje gerealiseerd voor de wereldtentoonstelling. In begin vond men het trouwens zo lelijk dat men het als schroot wilde verkopen. Als kind is het hartstikke spannend om de 1652 treden (vanaf de 2everdieping) naar boven te bestijgen. Iedereen, die een keertje bovenin heeft gestaan, herinnert zich ook ongetwijfeld het oneindige uitzicht over de stad.

De tweede keer was natuurlijk met een eerste vriendinnetje. Ook toen mocht een beklimming niet ontbreken. Hoe romantisch. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bijna 6 miljoen mensen jaarlijks hetzelfde doen. Bedenk overigens dat ook de rondvaartboten in Amsterdam jaarlijks ruim 4 miljoen bezoekers trekken; na de Efteling met 4,7 miljoen de grootste attractie van Nederland. Da’s dus ook best serieuze attractie. Vraag me af of jullie allemaal weleens door de Amsterdamse grachten zijn gevaren in zo’n bootje. “Als u naar links kijkt, ziet u het smalste huis ter wereld.” Hiermee verraad ik mijzelf; ik ben dus weleens mee geweest met zo’n rondvaart.

Maar zoals gezegd, ik ben er heel vaak geweest. Had ooit geïnvesteerd in een Frans bedrijf met Nederlandse roots, Vive la Récré (aan de naam lag het dus niet), dat actief was in de realisatie van kinderspeelhoeken bij winkelketens, zoals opticiens, fastfood restaurants en dergelijke. Helaas heeft de investering het niet gered; de uitvoering was moeilijker en de concurrentie groter dan gedacht. Reisde dan overigens meestal met de TGV, die in steeds kortere tijd de afstand van hier tot aan de Franse hoofdstad kon overbruggen. Heel vroeger ging je meestal nog met de auto. De Boulevard Périphérique was en blijft altijd een mooie uitdaging voor de Hollandse automobilist. Da’s toch iets anders dan beetje filerijden op de A2. Er is overigens géén Franse auto te bekennen zonder allerlei butsen en deuken erin, en als je er paar dagen rondrijdt begrijp je ook waarom. De Fransen lijken hun bumpers te gebruiken waarvoor ze ook bedoeld zijn, namelijk botsen. Zeker bij het parkeren is het gebruikelijk om de voor- of achterbuurman een klein “zoentje” te geven. Misschien heeft het met de Franse romantiek te maken…

Eerder vertelde ik hier al dat wij ons eerste Kunstwerk in Parijs kochten. Met een vrouw aan m’n zijde, die er als au pair een jaar heeft gewoond en de Franse taal vloeiend spreekt (al zal ze dat zelf ontkennen), is het heerlijk toeven in deze wereldstad. Nog steeds komen wij er regelmatig, meestal tijdens de Paris Photo. Dit is de grote jaarlijkse fotobeurs. Hoewel het niet direct de plek is om fotografie te kopen (de topwerken zijn onbetaalbaar) is het wel fantastisch om in het Grand Palais rond te lopen. Het schouwspel van de krioelende mensen, die zich vergapen aan elkaar en fotografie, terwijl je je ondertussen laat inspireren door bijzondere foto’s. Een schitterend excuus om samen of met vrienden naar Parijs te gaan dus. Deze stad heeft zoveel te bieden, voor m’n vrouw en dochters vooral shoppen, maar natuurlijk ook alle musea. Het belangrijkste blijft toch wining & dining. Bedenk wel dat de hotelkamers in Parijs  – ongeacht de prijs, zoals bijvoorbeeld Hotel Costes, ondanks dat een aanrader – altijd klein zijn en de bedden zonodig nog kleiner, zodat ík zelfs het gevoel krijg “lang” te zijn als m’n tenen weer eens uit het bed steken.

Een tripje Parijs kan soms ook veel impact hebben en daarmee een onuitwisbare indruk maken. Zeker als je op de dag van de aanslagen (13 november 2015) in deze stad vertoeft. Het was heel bizar. Wij zaten met een groot gezelschap – denk wel 40 mensen – die allen aan elkaar verbonden waren door interesse in fotografie in een “buitenwijk” (het 18e arrondissement) te eten in een achteraf gedeelte van een restaurant. Pas nadat enkele mensen uit het gezelschap, waaronder ikzelf, berichten uit Nederland ontvingen dat er meerdere aanslagen gaande waren, werden we ons enigszins bewust van de situatie, waarin we ons bevonden, namelijk een “oorlogsgebied”. De restauranthouder probeerde iedereen tot rust te manen, vanzelfsprekend was ondertussen de televisie aangezet. Vanwege het feit dat er meerdere aanslagen volgtijdelijk plaatsvonden, heerste er grote onzekerheid wat te doen en waar te gaan. Het was bijzonder om te zien welke keuzes mensen maken in zo’n situatie. Wil je zo snel mogelijk terug naar je huis of hotel, ook als dat dichtbij de plek van dood en verderf is. Dit leek ook praktisch onmogelijk omdat alle metrostations waren ontruimd en de meeste wegen waren afgesloten.

Dat was in ieder geval niet wat wij wilden. Gelukkig hadden we allebei onze legitimatie op zak, dus konden de stad als we wilden direct verlaten. Dit was zeker een serieuze optie. Wij kozen er eerst voor om nog even achterin het ogenschijnlijk “veilige” restaurant af te wachten. Naarmate de avond vorderde leek de angst voor nieuwe aanslagen enigszins weggeëbd te zijn. Buiten was het overigens totaal verlaten. Met wat telefoontjes hadden we op loopafstand – in praktijk een behoorlijk stuk – nog een hotel gevonden om de nacht door te brengen. Urenlang hebben we gekeken naar de televisiebeelden van de aanslagen – géén oog dicht gedaan vanzelfsprekend – waarbij toen pas de omvang van het ongekende slachtveld dat door deze terroristen was achtergelaten duidelijk werd, amper bevattend dat dit op slechts enkele kilometers afstand van ons had plaatsgevonden. De volgende dag leek alles al weer bijna “normaal”. Het was weliswaar ontzettend rustig op straat (ook géén politiemacht te zien) en zelfs bij het geplande vertrek met de Thalys naar huis, zagen wij géén hectische taferelen. In zo’n wereldstad gaat het leven blijkbaar gewoon door. Toch doet het iets met je. Zo verwoordde ook een goede jeugdvriend van mij, die journalist is voor de Financial Times en al jaren in Parijs woont, op treffende wijze.

Desalniettemin blijft deze stad ongekend populair (kijk maar naar de huizenprijzen), en ik begrijp ook wel waarom. Het is met name de grootsheid, die zo’n indruk maakt. Dat merk je zeker als je met zes man op een racefietsje de stad komt binnenpeddelen. Na de start in Maastricht, de 1e dag ruim 100 kilometer door de Ardennen met pittige klimmetjes, de 2e dag vanuit Dinant 165 kilometer over schitterende paden door een prachtig glooiend landschap richting de Franse grens, om de 3e dag af te sluiten met 175 kilometer meanderend naar de Eiffeltoren.

Het waren misschien wel die laatste 30 kilometer door de “outskirts” van Parijs, die het meest heftig waren om te fietsen. Onder de opstijgende vliegtuigen bij Charles des Gaules Airport door, over “verkapte” snelwegen, waar auto’s met ruim 100 km/uur voorbijraasden, zagen wij in de verte de karakteristieke stalen kolos opdoemen. En toen bleek ook de Champs-Élysées nog best ver te zijn, maar we zijn veilig en met name trots en voldaan aangekomen, een onvergetelijke fietstocht….

Kantelmomentje

Die zijn er in alle soorten en maten. Uiteraard heb ik – netals iedere rechtgeaarde econoom – ooit de bestseller “The Tipping Point” van Malcolm Gladwell (2000) gelezen, waarin hij aangeeft hoe kleine zaken grote impact kunnen hebben. Grote veranderingen in de samenleving kunnen dus heel onverwacht komen. Gladwell beschrijft dit aan de hand van ideeën, meningen en produkten, die zich pijlsnel als een epidemie verspreiden totdat het heel groot is.

Met een smartphone in onze broekzak en alle sociale mediakanalen lijkt het steeds “makkelijker” om een kritische massa te bereiken, die een verandering in gang kan zetten. Als de steen eenmaal over de heuvel is, dan is deze niet meer te stoppen. Toch worden we – in het licht van lange termijn trends – keer op keer verrast door dit soort kantelmomenten. Wanneer krijgen we de volgende wereldwijde recessie? Je kunt er gewoon op wachten.

Technologische ontwikkelingen gaan ook vaak sneller of juist langzamer dan menigeen denkt. Kijk bijvoorbeeld eens naar de ontwikkeling van de elektrische auto, die overigens rond de vorige eeuwwisseling al bestond. Jaren geleden werd de doorbraak ervan al voorspeld, maar tot op heden is slechts 1,4% van het Nederlandse wagenpark elektrisch of hybride. Dit is ook nog eens in belangrijke mate gestimuleerd door fiscale douceurtjes. Natuurlijk zijn de verwachtingen nog steeds dat we ooit allemaal elektrisch rijden. Een meerderheid van de Nederlandse bevolking staat daar positief tegenover. Daarnaast is rijden zonder uitstoot bijna noodzakelijk om aan de gestelde klimaatdoelen te voldoen. Vooralsnog is er echter nog géén sprake van een echte doorbraak in elektrisch rijden. Het is simpelweg nog te kostbaar in aanschaf (ondanks alle subsidies). De autorevolutie gaat blijkbaar hand in hand met de energierevolutie. Elektriciteit komt steeds meer uit zon en wind. Er is een sterke toename van eigen energieopwekking. Als je in de toekomst ook nog aan je elektrische auto zou kunnen verdienen door als opslagstation te dienen voor elektriciteitsbedrijven, dan kan het snel gaan. Hoewel eerst nog ons huidige wagenpark van ruim 8 miljoen auto’s “geruimd” moet worden. Over duurzaam gesproken…

Zelf had ik vorige week ook even een eigen kantelmomentje, ik werd namelijk 49. Als ik m’n omgeving moet geloven “geniet nu het nog kan, want volgend jaar word je 50” alsof dat het einde van wereld zou betekenen… Of de opmerking “je bent bijna op de helft”. Da’s statisch gezien onzin natuurlijk. De levensverwachting van een man die in de zestiger jaren is geboren, bedraagt nu ongeveer 71 jaar. Oké, als je vandaag als jongetje wordt geboren, mag je al verwachten 80 te worden. Voor vrouwen zijn de vooruitzichten nog beter, hoewel veel vrouwen van mijn leeftijd nu al klagen over de overgang. Pfff.

Zo benader ik m’n opkomende leeftijdsmijlpaal maar gekscherend – in lijn met m’n gestaakte studieavontuur –  zo: “volgend jaar word ik 18 met 32 jaar ervaring”. Je kunt het een “midlifecrisis” noemen, maar ik heb begrepen dat niet alleen mannen in deze periode hun vrouw willen inruilen voor een veel jonger exemplaar én daarbij een Harley of cabrio kopen, maar ook vrouwen zoeken frisse en fruitige jonge mannen met sexy baardjes en een sixpack. Zelf schijnen ze dan ook te willen verjongen, gaan plotseling fanatiek sporten en duiken de wereld van botox in. Dat gebeurt op steeds jongere leeftijd. “Booming industry” dus. Dat soort ingrepen hoeft van mij helemaal niet, ben juist zo heel gelukkig met m’n vrouw.

Dat is in de praktijk niet vanzelfsprekend. Het percentage echtscheidingen ligt rond de 40%. Schrikbarend hoog. Tuurlijk zie ik ook het ideaal van de eeuwige liefde en blijf ik het liefst voor altijd jong. Ondertussen komen toch de eerste grijze haren er doorheen en is het sixpack al jaren ver te zoeken als ik het überhaupt ooit had. Een baard laten groeien, dat is me dan weer wel gelukt. Eigenlijk willen we allemaal dat het leven een eeuwigheid duurt. Dit kan je volgens mij het beste omschrijven als tijdloosheid. We willen stil blijven staan. Dat is best merkwaardig, want om ons heen veranderd de wereld, en in dat kader wordt stilstand altijd als achteruitgang gezien.

Misschien is het voor zowel mannen als vrouwen een romantisch ideaalbeeld van altijd en eeuwig jong (en mooi) blijven. Er zijn om ons heen altijd jongere en mooiere mensen te vinden. Dichtbij zie ik onze eigen jonge kinderen, nu nog tieners. Deze meiden hebben nog een heel leven voor de boeg. Uiteindelijk doorlopen we in het leven allemaal dezelfde stappen van jong naar oud. Er zijn altijd mensen van achttien, negentien, vijfentwintig en ga zo maar door. Het lijkt daardoor of iedereen stilstaat en wij als enigen wél ouder worden. Natuurlijk zijn het steeds andere mensen die achttien zijn. Het is dus gelukkig maar een illusie.

Daarom geniet ik op dit moment erg van onze eigen opgroeiende kinderen. In hun hele doen en laten zijn het kopieën van jezelf, heerlijk om die spiegel voorgehouden te krijgen. Zo worden ook nu op school de kantjes er van af gelopen. In plaats van de boeken voor de boekenlijst te lezen, worden films bekeken (zoals ik ook deed vroeger) of tegenwoordig een luisterboek afgeluisterd. Precies uitrekenen welk cijfer je mag halen om toch nog net voldoende te staan. Voor de kinderen komt de toetsweek er aan; vroeger heette dat nog proefwerkweek, maar het principe is hetzelfde. Met de minimale inspanning voor het maximale resultaat gaan. Ook de grenzen wat betreft (te) laat thuiskomen worden opgezocht. De drang naar vrijheid is groot. Het is allemaal hartstikke herkenbaar. Ondertussen worden de plannen voor de vakantie al gesmeed. Het liefst alleen met vriendinnen naar Knokke of Albu (dat is afko voor Albufeira). Dat idee proberen we nog in goede banen te leiden. Heb voor deze zomer zelfs een spreadsheet gemaakt om nog precies te weten op welk moment, wie waar is en wanneer we met z’n allen als gezin samen zijn in de vakantieperiode. Eén voordeel van alle nieuwe communicatiemiddelen is dat het contact veel makkelijker te onderhouden is. Via allerlei “posts” op insta zie je afentoe nog wat van elkaars avonturen. De plannen zijn groots. Zo kunnen we alles “meebeleven”.

Een echt kantelmomentje voorzie ik echter als onze kinderen straks (het duurt gelukkig nog zo’n 4 à 5 jaar) het huis uit zijn. Het befaamde “Empty Nest Syndrome”, oftewel het lege-nest-syndroom. We zullen de streken van onze meiden nog eens gaan missen…

Brandschoon

Om te beginnen heb ik ervaren wat het als beginnend blogger betekent gestrand te zijn met een schrijversblok. Het ontbrak mij simpelweg aan energie en inspiratie om iets op papier te krijgen. De reden van deze kleine inzinking was echter evident. Na ruim vijftien jaar moest ik noodgedwongen de deuren van m’n geesteskindje sluiten, het ondergrondse speelpark TunFun in hartje Amsterdam.

Hoewel hier al deze jaren ondertussen al honderdduizenden Amsterdamse kinderen hebben gespeeld, was de gemeente Amsterdam – op aangeven van de brandweer – plotsklaps van mening dat de brandveiligheid niet in orde was.

Men had nieuwe inzichten gekregen met betrekking tot de wijze waarop men dit soort ruimtes beoordeelt. Voor iemand die er nog nooit geweest is, TunFun is gevestigd in een oude (betonnen) autotunnel, die eind jaren zestig gebouwd is (met destijds moderne technieken), gelegen aan het Mr. Visserplein.

In de negentiger jaren werd deze tunnel gesloten. Als reden werd aangegeven dat men Amsterdam meer verkeersluw wilde maken door deze snelle verbinding van het centrum naar Noord en Oost af te sluiten. Heb echter ook gehoord dat de tunnel – een drijvende betonnen bak – constructief niet geschikt was voor de sterke toename van het verkeer in deze jaren. Na jaren van leegstand, waarin de tunnel een soort vrijstaat werd voor graffiti kunstenaars (daar is een heel boek over geschreven “Amsterdam graffiti, the battle of Waterloo”) en ook wel de Hel van Dante genoemd werd, schrijft de gemeente in 2002 een prijsvraag uit.

Als jonge vaders (een studiemaat en ik) wonnen we deze prijsvraag (uit circa tien ideeën) met ons plan voor een echt gave kinderattractie in het hartje van Amsterdam, waar je zonder hinder van weer en verkeer kunt spelen. De eerste maanden (na opening in februari 2003) twijfelden we nog even of we wel iets goeds hadden bedacht; de bezoekers stroomden nog niet in grote getalen binnen. Achteraf bleek dat één van heetste zomers ooit gemeten te zijn. Een overdekte kinderspeeltuin moet het vooral van het natte Nederlandse weer hebben, maar dat is gelukkig meer regelmaat dan uitzondering. De jaren erna kwam de bezoekersstroom dan ook goed op gang en reikte tot zo’n 130.000 gemiddeld per jaar. Een hele generatie kinderen heeft er wel gespeeld.

Bijzonder was het toen we “sollicitaties” binnenkregen van jongeren, die als kind regelmatig in TunFun hadden gespeeld. TunFun is gaandeweg zelfs een generieke term voor overdekt spelen in Amsterdam geworden. Zeg maar zoiets als een Spa’tje gelijk staat aan bronwater bestellen.

Totdat kort geleden (medio april) als donderslag bij heldere hemel de mededeling kwam dat er naar aanleiding van een risicoanalyse van de brandweer grote zorg was over de brandveiligheid. De gestelde termijn van 1,5 week om aan alle vereiste maatregelen te voldoen was voor ons, ondanks enorme inspanningen, niet haalbaar. TunFun moest uiteindelijk op last van de gemeente (als handhaver) op 25 april jl. haar deuren sluiten.

Uit het brandweerrapport zou je bijna op kunnen maken dat TunFun levensgevaarlijk was al die jaren. Als dat het geval zou zijn, had ik als exploitant natuurlijk direct ingegrepen. Nooit heb ik dat gevoel van onveiligheid gehad; wel is een oude autotunnel natuurlijk een stoere en ruige ruimte, die niet “brandschoon” is. En ook de gemeente heeft bij al haar controles en het verlenen van de exploitatievergunningen (iedere vijf jaar) nooit eerder aangegeven dat de ruimte niet voldoet voor een kinderattractie.

Er werd juist gesproken over een langjarige huurovereenkomst attractie, maar na de rapportage van de brandweer kwamen er signalen van de gemeente (als verhuurder) dat er geen langjarige huurovereenkomst zou worden afgegeven. Na de sluiting en de impact die dat had op de Amsterdamse kinderen leek ineens een langjarig huurovereenkomst weer wel bespreekbaar. De politieke agenda is ondoorgrondelijk.

Voor mij is TunFun altijd een niet winstgevend project geweest met een belangrijke maatschappelijk functie, dat ik graag zie voortbestaan. De gemeente (lees: lokale bestuur) had daar meer waarde aan kunnen hechten. Wellicht heb ik dit eerder onvoldoende onder de aandacht gebracht. TunFun lijkt nu overigens gered door een professionele en kapitaalkrachtige partij met ruime ervaring in de leisure industrie, die bereid is met risico te investeren in de benodigde aanpassingen en vernieuwingen om TunFun een nieuwe toekomst te geven. Dat de overname van TunFun door deze partij niet vlekkeloos liep, kwam door een frontale botsing tussen ego’s. Het blijkt dat, hoewel mensen hetzelfde beogen (overdracht in dit geval), er grote verschillen kunnen zijn in de benadering van zo’n overnameproces.

Wat voor mij een (sympathiek en klein) maatschappelijk initiatief was, dat ik in harmonie wilde overdragen om de continuïteit voor zowel de Amsterdamse bezoekertjes en het TunFun-team van 28 mensen te waarborgen, werd door de andere partij benaderd als de overname van een multinational met (ondanks het symbolische bedrag, waarom het gaat) allerlei verrekeningen, vrijwaringen en garanties. Deze partij koos daarbij voor een hele dwingende juridische benadering. Zal jullie de details besparen (google zelf maar even), maar het voelde voor mij in ieder geval helemaal niet fijn. Het zorgde de afgelopen maand helaas voor veel negatieve energie. Uiteindelijk is de overdracht tot stand gekomen.

Toch hoop ik dat deze nieuwe eigenaar TunFun weer leven weet in te blazen, en dat het nog vele jaren één van de leukste attracties voor Amsterdamse kinderen mag zijn. Deze “clash” zonder echte winnaars (althans zo ervaar ik het) heeft mij de afgelopen maand in ieder geval even totaal geblokkeerd, maar ik ben weer helemaal terug…

Stokkie

Ja inderdaad “hockey speel je met een stokkie”. Dat is in al die jaren niet gewijzigd, maar is er bij het hockeyspelletje wel het nodige veranderd. Niet alleen zijn de regels flink op schop gegaan met al enige tijd geleden het afschaffen van buitenspel – ook nog steeds Marco van Basten’s paradepaardje voor wat betreft wijziging voetbalregels – en recenter de introductie van de selfpass en nog wat kleinere zaken, zoals strafslagen binnen de cirkel en afstand houden daarbij. Speelden wij zo’n dertig jaar geleden nog met echte houten sticks – gelukkig niet meer met zo’n megakrul, dat is écht van vroegguh – tegenwoordig wordt een beetje profistick gemaakt van allerlei kunststof materialen (carbon, fiberglas) en kost je zo een paar honderd euro als ie ook nog van een beetje merk moet zijn zoals Adidas of Osaka.

Ben zelf al zo’n 15 jaar geleden (na diverse knieoperaties; zal jullie de details besparen) gestopt met hockeyen, nadat ik daarvoor ook zo’n 25 jaar achter een balletje had aangehold op allerlei niveaus. “Druk een punt kerel” zeiden ze lang geleden. Nu is hockeyen, net als golfen al lang géén sport meer voor kakkers. Zo is ook studeren al lang niet meer voor de elite, hoewel dit met het leenstelsel wel weer dichterbij komt.

Terug naar de hockeyvelden. Mijn eerste herinneringen liggen op sportpark De Bloemerd (de kenners weten waar dat is), waar ik als “mini” (van een jaar of acht) heel hard rondrende op een klein veldje met pilonnen als doeltjes. Dat was in de leeftijdscategorie van wat tegenwoordig de E’tjes wordt genoemd. F-jes bestonden toen nog niet. Nu proberen ze kinderen vanaf zo jongs af aan mogelijk aan een bepaalde sport te krijgen, want dat zou “renderen”. Alles voor Olympische medailles! Ze zijn er ondertussen gelukkig wel achter dat jonge kinderen over de kling jagen met 5 keer trainen per week niet gezond is. Ook de lang heilig verklaarde 10.000 uren regel om de absolute top in een bepaalde sport te bereiken ligt sinds kort toch weer onder vuur. Misschien kinderen toch maar iets later laten beginnen met sporten in (prestatie-) teamverband?

Na een ambitieuze hockeyperiode in de jeugd (jazeker, eerste elftallen) en mogen spelen op kunstgras wat toen net in opkomst was, kwam de bijna onovertroffen tijd van het studententeam waarmee je in alle vroegte (althans zo voelde dat ook aan het begin van de middag) ergens de wei werd ingestuurd. Naast de geur van bier die uit al je poriën kwam, kon je nog net de heerlijke geur van vers gemaaid gras ontwaren. Dit waren wel de jaren waarin het ene na het andere kampioenschap werd binnengehaald met de meest mooie kampioensfeesten erachter aan. Als jongwerkende werd dit traject gewoon vervolgd, waarbij het thé dansant -betekent niks anders dan “vroeg” feestvieren – op zondag een ankerpunt in de week was. Ik heb er het geluk gehad mijn vrouw voor het eerst te ontmoeten. Zij vindt dit trouwens een heel “ballerige” blog. Nu heeft ze zelf ook gewoon bijna 25 jaar gehockeyd. Onze ouders deden overigens niet aan dit spelletje. Daar heeft ze een punt. En ze leefden nog lang en gelukkig…

Hoewel niet meer als actief speler blijft het hele hockeygebeuren (afentoe zo’n woord mag toch wel) tot op de dag van vandaag een bijzonder fenomeen. En hoewel ook bij deze sport ondertussen de zich ongelooflijk misdragende toeschouwers hun intrede hebben gedaan – de maatschappij dat ben jij! – blijft het een mooi spelletje. Met twee (van de drie) hockeyende dochters en vele momenten als coach langs de lijn en trainer in het veld durf ik dat te zeggen.

Hoe leuk is het om een stel meiden veel plezier aan het spelletje te laten en zien beleven. Overigens op zeer bescheiden niveau. Las dat veel clubs af willen van de terminologie “lijn- en breedteteams” omdat te stigmatiserend zou zijn. Alle aandacht gaat in praktijk inderdaad vaak uit naar de prestatieteams. Dat vind ik persoonlijk jammer, omdat in mijn ogen iedereen die in een veld staat altijd daar met de intentie zou moeten staan om er iets zo goeds mogelijk van te maken, waarbij sportiviteit en inzet de boventoon voeren. Dat betekent niet dat alle ballen in de kruising moeten verdwijnen. Dat kunnen alleen de echte profi’s, zo zag ik vorige zomer in het Wagenerstadion tijdens de EK finale nog hoe Kemperman dat deed. Wat een wedstrijd trouwens!

Het allerbelangrijkste zijn natuurlijk de hockeyfeesten! Daar mag ik me sinds enige tijd op ons cluppie van de zijlijn ook een beetje mee bemoeien, met heel veel genoegen uiteraard. Zojuist weer een AB-feest in optima forma meegekregen. Heerlijk om te zien hoe kids van 16, 17 soms 18 jaar helemaal uit hun dak gaan. Het draait hierbij maar om één ding, namelijk drinken. Vroeger was dat zoenen, want drinken was toen géén dingetje. Hoe ziet zo’n feest er tegenwoordig uit? Het clubhuis is een soort kooi geworden; eenmaal binnen niet meer naar buiten (want anders zou je die flessen wodka zo uit de bosjes kunnen pakken). Het indrinken is al compleet verbannen door (bijna) iedereen vooraf te laten blazen (alcolholtest laten doen dus). Zerotolerancebeleid dus. De jeugd moet creatiever zijn, en dat zijn ze ook.

Zo vullen vooral meisjes Breakers (ja, van die yoghurt knijpdingen) met wodka of ander sterk alcoholisch bocht en verstoppen deze op plekken waar niemand aan mag komen. Deze worden bij het eerste toiletbezoek direct “Adje getrokken”. Verder probeert menigeen met een vals ID (of geleend van oudere broer of zus) zich tot de 18 plus schare te verheffen, zodat er bier besteld mag worden. De polsbandjes die daarbij horen zijn voor velen de grootst gekoesterde droom; die proberen ze ook nog te vervalsen. Dat is moeilijker met katoenen feestbandjes met eenmalige sluiting. Het is een heerlijk kat-en-muisspel, en zo moet het ook zijn. We zijn allemaal jong geweest tenslotte.

De grootste boobytrap is echter als je kinderen aangeven dat ze naar HockeyLoverz willen. Klinkt heel vriendelijk. Dit is een compleet georganiseerd festival ergens in de polder. Ook deze zomer vieren daar drie weekenden achter elkaar zo’n 15.000 jongeren groot feest. En met hockey heeft het weinig te maken; de meeste kids nemen niet eens een stick mee. Elk jaar worden er wat minderjarigen met een alcoholvergiftiging naar het ziekenhuis afgevoerd. Dat zou je op zulke aantallen nog wel kunnen “vergoelijken” zolang het je eigen kind maar niet is… Het is echter allemaal nog wel iets heftiger, te weten “een groot neukfestijn”. Nog beter is het misschien om daar een “stokkie voor te steken”, of ben ik dan te ouderwets als vader van drie dochters?