Volgelingen

In deze tijd waarin alles lijkt te draaien om volgelingen en aantal volgers, heb ik met grote fascinatie gekeken naar de net uitgekomen documentaire “Wild Wild Country” over de Indiase goeroe, Bhagwan. Ja precies, van die sekte met al die lieden in oranjerode kleding. Bhagwan werd in 1981 internationaal bekend toen hij naar de Amerikaanse staat Oregon reisde en daar een stad stichtte. Hij deed dit met als plan om omringd door duizenden volgelingen van over de hele wereld – zeker ook uit Nederland – eerst het stadje Antilope, daarna het district Wasco County, daarna de staat Oregon en tenslotte heel Amerika te transformeren tot een spirituele utopie. In deze 6-delige documentaire, die ik één grote Paas-bingewatch (zou dat een woord zijn?) heb getackeld, komt het allemaal voorbij. Je kunt ‘m nu zien op Netflix.

Heb met grote verbazing zitten kijken naar op het eerste gezicht weldenkende, vaak misschien zelfs intelligente mensen, die deze vreemde snuiter met baard blind volgden. Op een godsdienstige boodschap heb ik hem overigens niet kunnen betrappen, wel dat z’n favoriete automerk Rolls Royce was. Hij had er naar zeggen 96. Dat hij vrije seks voorstond was ook duidelijk; hoorde hem alleen zeggen dat ie ‘t nooit met z’n secretaresse zou doen. Zijn vage boodschap van zelfverwezenlijking, verlichting en onvoorwaardelijke liefde leidde er in ieder geval toe dat zijn volgelingen, zogeheten sannyasins, voor hem tot het uiterste ging. Je gelooft het pas als je het ziet.

Ruim 35 jaar later is er in de wereld nog steeds ruimte voor zo’n messias. Vergelijk deze Bhagwan eens met Trump. Het mag overduidelijk zijn dat Trump nog steeds in hart en nieren een zakenman is, die samen met z’n familie ten volste profiteert van zijn presidentschap. Z’n “Make American great again” baseball caps bleken voor het grootste deel gewoon in China, Vietnam en Bangladesh geproduceerd te zijn. Naast een niet al te heldere boodschap blijken beide heren in ieder geval voldoende commercieel vaardigheden te bezitten. Om het voor de buitenwereld netjes te houden heeft Trump de leiding over z’n zakelijke activiteiten trouwens (tijdelijk) overgedragen aan z’n zoons en heeft hij ook z’n overige zakelijke functies neergelegd. We laten ons graag foppen.

Toch zal het menigeen niet verrassen dat de Donald meer volgelingen op twitter heeft dan onze “eigen” Paus Franciscus, terwijl deze toch het hoofd is van Rooms-Katholieke kerk met meer dan 1,2 miljard volgelingen het grootste kerkgenootschap op de wereld. Hoewel hij deze Pasen op het Sint-Pieterplein tijdens het traditionele Urbi et Orbi de kwekers uit ons landje weer allervriendelijkst bedankte voor de geschonken bloemen – helaas niet meer in ’t Nederlands, zoals vroeger, maar gewoon in ‘t Italiaans – kan je de Paus als leider van de katholieke kerk misschien wel zien als de CEO van de rijkste multinational ter wereld.

Hierbij verbleekt Mark Zuckerberg en zijn aan Facebook gerelateerde vermogen dan weer bijna. Zeker nu de beurswaarde van Facebook de afgelopen weken is gekelderd met bijna 100 miljard na het privacy schandaal omtrent misbruik van gegevens van bijna 50 miljoen Facebookgebruikers waarvan de profielen door het bedrijf Cambridge Analytica bijeengeharkt waren. Zuckerberg had overigens vlak vóórdat dit bekend werd nog even ter waarde van $ 1 miljard aan aandelen Facebook verkocht. Voor fiscale planning, ja, ja… Ondertussen is het aandeel verder gedaald en is er een hele #deletefacebook campagne ontstaan. Voor Zuckerberg helpt ’t daarbij niet dat hij op 19-jarige leeftijd – hij is nu 33 – iedereen die z’n gegevens achterliet in een e-mail “dumb f**ks” noemde.

Voor mij persoonlijk allemaal géén probleem, want ik ben bewust nooit op Facebook gegaan. Geloof namelijk niet in gratis… Als je niet betaalt, ben je géén klant. Dan ben je een product. Je geeft zoveel informatie van jezelf prijs dat adverteerders bereid zijn om daar flink voor te betalen. Niemand heeft dit model zo goed ontwikkeld als Facebook. Om de nek van iedere gebruiker hangt maandelijks een mooi prijskaartje (lees: inkomsten voor Zuckerberg cs.). Nu kijkt iedereen vreemd op dat men een stapje verder is gegaan door alle informatie van haar gebruikers ook in te zetten voor (politieke) beïnvloeding. Ook dat is gewoon een (nieuw) verdienmodelletje van Facebook. Naar verluid betaalde Trump 6,2 miljoen dollar aan Cambridge Analytica om hem te helpen stemmers te bereiken. Hij is uiteraard niet de enige klant. Het “schandaal” breidt zich langzaam verder uit naar Pro Brexit organisaties.

Hoe naïef kunnen we met z’n allen zijn? Als we vroeger door de traditionele kranten onze beeldvorming lieten beïnvloeden, dan is het toch niet verwonderlijk dat dit nu digitaal gebeurt. Niks menselijks is ons vreemd. De kracht van sektes en hun sterke leiders is dat ze je eerst welkom laten voelen om je vervolgens te transformeren naar een lid van hun sekte. Het ligt aan je karakter of levensstijl of je er snel vatbaar voor bent.

Ik probeer als een soort Asterix de Galliër weerstand hieraan te bieden, maar ik ga daarbij zeker ook niet vrijuit. Zo ben ik bijvoorbeeld een ongelooflijke Whatsapp-adept; ook eigendom van Facebook Inc. Keek zojuist even in m’n app datagebruik; heb al ruim 44 duizend Whatsappberichten verstuurd (m’n vrienden kunnen erover meepraten; zij moeten het allemaal lezen). Daarnaast ben ik natuurlijk net zo gevoelig voor het aantal volgers van m’n blog als een Facebook-gebruiker voor “likes”. Heb op dit moment 83 abonnees, die mijn blog “automatisch” in hun mailbox krijgen en ik kan via mijn eigen “spyware” zien dat elke blog zo’n 300 keer gelezen wordt. Zo heb ik gelukkig ook de nodige “Recht-op-doel-af-volgelingen”…

Géén kunst

Het zal niemand verbazen dat regelmatig wel ergens een kunstwerk door de schoonmakers bij het grofvuil wordt gezet. Zo werd ooit een prullenmand met rommel van de New Yorkse kunstenaar Paul Branca door een medewerkster van een Italiaanse kunstgalerie weggegooid. Het kunstwerk maakte deel uit van de ​​tentoonstelling ‘Display Mediating Landscape’ over de bedreiging van ons ecosysteem en de consumptiemaatschappij. De waarde van het prullenmandje, geschat op zo’n €11.000, werd gelukkig wel gedekt door de verzekering van de galerie. Ik kwam zelfs een top 10 tegen van “Art Accidents”. Heerlijk altijd die lijstjes.

Er bestaat kunst in alle soorten en maten, en dus voor verschillende prijzen. Je kunt ook eindeloos discussieren over wat kunst is, en wat niet. Kunst is niet alleen schilderij, foto of sculptuur, maar het kan een performance, een geluid of een houten pallet aan de muur gespijkerd zijn. Alles is kunst en kunst is overal. Conceptuele kunst maakt het soms wel ingewikkeld. Zo is de pindakaasvloer van Wim T. Schippers uit 1962 best ééntje om te onthouden. Het moet aangeven dat alles in principe zinloos en onzinnig is, maar daarom nog wel de moeite waard. Deze pindakaasvloer ligt tegenwoordig in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Dat was best een flinke klus.

Welkom in de wereld van de kunst! Zelf kochten wij zo’n twintig jaar geleden tijdens een romantisch weekend in Parijs (we waren nog niet getrouwd) ons eerste kunstwerk. Een mensgrote “bewegende” sculpture van gietijzer gemaakt door de Franse kunstenaar Vincent Magni, hij noemt het een “Humanobile”. Toen was het voor ons heel veel geld voor een kunstwerk, maar achteraf was het geen slechte koop. Zag dat dezelfde werken nu bijna 5 keer (!) zo prijzig zijn geworden. Dat is echter precies hoe je niet naar kunst moet kijken. Het is juist géén belegging.

Dit fluisterde één van Neerlands meest gerespecteerde veilingmeesters mij eens in ’t oor. Tuurlijk is het zo topstukken soms voor gigantische bedragen (en winsten!) van de ene in de ander hand gaan, maar dat is slechts de bovenlaag. Zo wisselde recent Da Vinci’s Salvator Mundi voor ruim $450 miljoen van eigenaar. Daarmee is dit het duurste schilderij in de geschiedenis, de koper wilde overigens anoniem blijven. Het veilinghuis Christie’s had het werk overigens ingeschat op slechts $100 miljoen. Het is dus maar wat de gek ervoor geeft. Het controversiële aan dit werk is ook nog eens dat men lang gedacht heeft dat het een kopie was. Zo werd het in 1958 voor slechts 45 pond verkocht op een Londense veiling. Pas in 2011 na een grondige renovatie hebben kenners bevestigd dat het een échte Da Vinci is.

De verkoper is overigens de Russische miljardair Rybolovlev, die aan de lopende band kunstwerken verkoopt. Volgens sommigen omdat hij zijn ex-vrouw Elena ruim 700 miljoen euro moet betalen, in wat wel ‘de duurste scheiding ter wereld’ genoemd werd. Zou daar ook een lijstje van zijn?

Kunst is dus zeker niet saai. Zo is ook een bezoekje aan de TEFAF altijd meer dan de moeite waard. Het kijken naar de mensen, die daar rondlopen, fascineert mij vaak nog meer dan de kunst zelf. Natuurlijk is de kunst op de TEFAF, die in de wereld als één van de meest toonaangevende beurzen wordt gezien, van ongekend niveau. Je loopt soms nietsvermoedend langs topstukken van Van Gogh of ander oude meesters. Je waant je bijna in een museum. Nog even een gratis tip. Als je je aangetrokken voelt tot die werken, maar niet over de benodigde muntjes beschikt om de originelen te kopen, kan je ze altijd nog op canvas laten afdrukken.

Zoals gezegd kochten wij destijds in Parijs ons eerste kunstwerk. Zie ons nog samen terugrijden in een oud Volkswagen Golfje met het mensgrote beeld gestrekt tussen ons in richting de achterbank. Daarna hebben wij nog heel wat (meestal kleinere) kunstwerken gekocht, van framed radioactief afval uit Fukushima (Tinkebell 2015) tot een hoofd van chocolade (Renzo Martens 2015), van voetafdrukken (Alex Dordoy 2014) tot een selfie van een opgezette uil (Darren Harvey-Regan 2013), en met name veel fotografie.

Voor ons is het zo dat we blij moeten worden van kunst. Dat kan zijn vanwege wat je ziet (vaak grappig), maar meestal juist het verhaal van de maker erachter.  Wij proberen dan zo vaak als mogelijk in contact te komen met de kunstenaar zelf. Dat “beperkt” ons natuurlijk sowieso al een beetje tot moderne kunst, maar dat is na al die jaren ook onze smaak gebleken. Vaak vallen wij voor iets dat afwijkt van het normale, of soms een beetje “schuurt”. Omdat wij onszelf een vast maximumbudget per werk hebben gesteld kopen wij vaak iets van jongere kunstenaars. Zij zijn nog betaalbaar, maar kunnen bovendien de steun en waardering dat hun werk wordt gekocht, juist goed gebruiken. Ook bouw je met de kunstenaar op deze manier soms een leuke relatie op. Tot op heden hebben wij nog van géén enkele kunstaankoop spijt; dat geldt voor een hoop andere materiële zaken helaas niet. Natuurlijk kijken wij ook weleens naar een kunstwerk bij ons aan de muur en vragen we ons af, waarom we dat (ooit) mooi vonden. Maar altijd is er toch ergens weer een gevoel van blijdschap, bijvoorbeeld over de lol die we hadden bij de aanschaf destijds. En als het er echt niet uitziet, is er altijd nog wel een ver weg hoekje in huis om het “weg te hangen”.

Ze zeggen dat je overigens pas een verzamelaar bent, als je ook kunstwerken koopt zonder direct te weten waar je deze werken in je huis gaat ophangen. Dat klopt denken wij wel. Als je echt iets ziet, wat je aanspreekt, moet je dat toch niet aan je voorbij laten gaan. Het blijft natuurlijk lastig om te bepalen wat een mens mooi vindt. Hierover bestaan “algemene” tips, die te vinden zijn in het recente uitgebrachte boek, getiteld Ontroerend Goed “Van kunst kijken naar kunst kopen”. Bekijk zoveel mogelijk kunst als je kunt en lees er alles over. Bepaal vooraf je budget, maar durf te kopen. Volg niemand, alleen je eigen smaak. Koop kunst voor morgen, niet voor vandaag. Koop kunst niet om financiële redenen, maar alleen als investering in jezelf.

Op de TEFAF zat het er dus sowieso even niet in om iets aan te schaffen (alles daar buiten ons budget), maar mijn oog viel wel op dit bijzondere schoentje (zie afbeelding hieronder). De Japanse kunstenares Yayoi Kusuma is gek op pompoenen, rode stippen en felle kleuren. Dat laatste is ook direct te zien aan haar knalrode haardos. Achteraf zou je bijna denken dat de rode stip in de Japanse vlag een creatie van haar is geweest. En zelfs de aarde is volgens haarzelf een “polka dot”.

Zo zegt men dat je kunst kunt bekijken uit drie invalshoeken. Wat stelt het voor? Wat wordt hier geuit? Welk doel dient het? Als je het op die manier bekijkt, wordt het bijna wetenschappelijk. Toch zal bijna elke kunstenaar je vertellen dat kunst persoonlijk is, zowel voor de maker als voor de kijker. Wat je vindt, voelt, denkt, ervaart is bij iedereen anders. En dat is vaak ook precies de bedoeling aan kunst.

Daarmee schuilt misschien alsnog in iedereen een kleine kunstenaar. Zo hebben we allemaal wel eens naar iets gekeken en gedacht “dat had ik ook best kunnen maken”. Da’s géén kunst!

Kuddegedrag

Rond deze tijd als de krokusjes weer uit de grond springen en iedereen weer bijna tegelijkertijd richting de skipistes vertrekt (letterlijk: tegen de berg opkruipt), moet ik denken aan een kudde schapen, die zich gedwee naar de stal laat leiden. Zo blijkt de mens ook maar gewoon een dier te zijn. Toch zit er iets fascinerends in het verschijnsel dat wij ons als mens soms (of beter gezegd regelmatig) compleet in de greep laten houden door een bepaalde – vaak idiote – gedachte.

Zo is uit onderzoek gebleken dat er slechts een minderheid van 5% nodig is om een groep van meer dan 200 personen naar een bepaalde locatie te leiden. Beter gezegd, wanneer 5% van de proefpersonen de opdracht krijgt om een bepaalde richting op te lopen, worden ze in alle gevallen gevolgd door de resterende 95% van de groep. De onderzoekers zagen een duidelijke ‘slang’ van mensen ontstaan. Toch hadden de deelnemers uit de volggroep nooit het idee dat zij anderen achterna liepen. Dit lijkt op het eerste gezicht best handig, maar met de “foute” leider kan je behoorlijk op de verkeerde plek uitkomen, of ergens waar je helemaal niet naartoe op weg was.

Groepsdenken klinkt in eerste instantie best gezellig en oké. Zo wordt bij het maken van moeilijke beslissingen vaak gesproken over “the wisdom of the crowd”. Veel leken weten het vaker beter dan de expert (denkt men). Mijn eigen observatie is echter dat je beter kunt spreken van “de kracht van de massa” en niet zo zeer hun wijsheid. Laat ik maar weer eens één van mijn favoriete onderwerpen aansnijden, te weten beleggen. Ze zeggen weleens dat als de taxichauffeur over beleggen begint te praten, dan weten de professionals dat ze moeten uitstappen.

Zo hoor ik op dit moment iedereen praten over allerlei cryptomuntjes. Deze digitale munten die via computernetwerken buiten banken en overheden worden beheerd, doen iets met ons. Wat dan precies? Denk dat toch het vooral de hebberigheid en angst is. We horen om ons heen allemaal verhalen van mensen die ongelooflijk veel geld ermee verdienen. Of dat blockchain de technologie van de toekomst is. Kan iemand mij dat nog eens in paar zinnen uitleggen? Begrijp heel goed dat mensen het straks héél pijnlijk vinden als ze als enige de boot gemist zouden hebben. De gevleugelde woorden van – de door andere omschreven als superbelegger – Warren Buffett zijn dan ook niet voor niks: “Be fearful when others are greedy and greedy when others are fearful.”

Er spelen naast groepsdenken natuurlijk heel veel zaken een rol bij besluitvorming. Zo betrap ik mijzelf er weleens op dat ik om de goede vrede in de groep te bewaren (lees: conflicten uit de weg te gaan) minder kritisch kijk naar de gevolgen van een beslissing. En later – bij een verkeerde afloop – is dit uiteraard met spijt als haren op m’n hoofd. Ook neem je vaak een beslissing die een ander al heeft genomen. Waarom vragen mensen aan tafel anders continu aan elkaar: “Wat ga jij nemen?”

Nog veel lastiger is het voor ons wanneer we al een bepaalde beslissing hebben genomen of een investering hebben gedaan, om terug te komen op een eerder besluit. Zelfs als er allerlei nieuwe feiten zijn, die een heroverweging meer dan zouden rechtvaardigen. Mensen kunnen zo irrationele beslissingen nemen om eerdere rationele beslissingen te rechtvaardigen. Onze neiging om informatie te zoeken of te filteren die onze opvattingen en vermoedens bevestigt, is algeheel bekend en heet in de psychologie de “confirmation bias”. Dit komt op allerlei manieren voor, zo bepaalt het onder andere ons voorkeursgedrag. Deze bevestigingsneiging is zo’n sterk ontwikkelde selectieve manier van redeneren, dat je je niet realiseert dat het tot denkfouten kan leiden. De kunst is om jezelf iedere keer weer de kritische vraag te stellen of je vermoeden wel juist is, of dat er iets is wat het ontkracht.

Ik heb er net als bijna iedereen ook last van dat ik zo lang mogelijk bij mijn eigen mening blijf. Wel probeer ik daarbij zoveel mogelijk een authentiek denker te zijn. Dus er niet alleen maar naar streven om zoveel mogelijk voorbeelden te bedenken om een gedachte te bevestigen, maar juist ook tegenvoorbeelden zoeken. Zo ben ik bij sportwedstrijden meestal ook voor de underdog (tegen beter weten in) en ben ik in mijn doen en laten vaak anticyclisch (zeg maar: “tegendraads”). Ook al leidt dit natuurlijk niet altijd tot de gewenste of verwachte uitkomst, toch haal ik er voor mijzelf het meeste genoegen uit. Dit staat overigens in schril contrast met feit dat ik altijd controle wil houden. Mijn vrienden kunnen daar over meepraten. Voor mijzelf verklaar ik dat altijd omdat ik niks moois wil missen. Zo kan ik continu dingen van m’n bucketlist blijven strepen. Wordt vervolgd.

Met al deze wetenschap is het weer een “geruststellende” gedachte dat wij dit weekend met zo’n 450.000 Nederlanders tegelijkertijd de Alpen inrijden. Opgedreven als een stel schapen. Natuurlijk denk ik dat ene slimme schaap te zijn die op zondag gaat…

Virus

Hiermee doel ik niet op het griepvirus dat de afgelopen maanden veel mensen compleet “knock-out” sloeg, maar op het Olympische virus. Sinds 1992 ben ik hiermee besmet geraakt, toen ik m’n eerste Olympische Spelen bijwoonde.

Hoe ging dat? Rechtstreeks vanuit Groningen, waar ik toen studeerde, reden we met vier vrienden in m’n eerste autootje – een rood Golfje, hij kon best “hard” – richting Albertville. We maakten eerst nog een tussenstop (overnachting) bij bekenden in Grenoble. Een leuke stad, zeker ‘s-avonds. Het avondje uit aldaar staat nog bijna net zo goed in mijn geheugen gegrift als de grote dag zelf, we gingen naar de 5 kilometer schaatsen voor Heren. Het laatste deel reisden we met de trein. We waren goed uitgedost, denk aan een compleet oranje overall, vlaggen op het gezicht geschilderd, vuurpijlen om af te steken (tegenwoordig verboden in elk stadion!) en oranje drankjes (voorgemengd, dus een soort breezer “avant la lettre”). In een grote stoet liepen we met veel Nederlanders naar het open lucht ijsstadion. Ja dat waren nog eens tijden. Het langebaan schaatsen vond plaats op afgelegen ijsbanen in vaak de meest winderige omgeving.

Terwijl wij ons nestelden op de tribune (free seating) naast de ouders van Hein Vergeer en Leo Visser – ja, dat waren onze helden toen – waren de eerste rijders al van start gegaan. Grote schermen in het stadion om mee te kijken, waren er nog niet. Je moest gewoon opletten; dat hadden wij dus niet gedaan. Op deze koude dag in februari schaatste de Noor Geir Karlstad vrij onbedreigd naar het goud. Vergeer was in geen velden of wegen te bekennen, maar Falko Zandstra – in bloedvorm dat jaar – schaatste naar het zilver. De grootste verrassing was de bronzen medaille van Leo Visser, die hij ook nog behaalde op de 1.500 meter met 9/100ste achterstand Johann Olav Koss. Na deze Spelen beëindigde de man uit Haastrecht zijn schaatscarrière.  Wij vierden deze zilveren en bronzen medailles als ware het goud; het bleef nog lang onrustig in Albertville en omstreken. Ik had de smaak vanaf dat moment flink te pakken.

In 2006 werd ik uitgenodigd om naar de Winterspelen van Turijn te gaan. In deze jaren voor de crisis was het voor grote bedrijven nog “ussance” om goede klanten uit te nodigen voor dit soort tripjes. Dat was later (na oktober 2008) snel voorbij. Ik herinner me de bijzondere race op de 10 kilometer voor mannen in een bijna ontploffend (overdekt) stadion in Turijn, Bob de Jong won in een ongekend spannende race goud. Met wel 10.000 Nederlandse fans op de tribune leek het stadion wel bijna te exploderen. Zowel in 2010 en 2014 wist De Jong nog brons te winnen op deze afstand, maar dit was echt de race van zijn leven. Voor de ondertussen schaatsbelg Bart Veldkamp waren het de laatste spelen; hij werd 14e. We stonden na afloop met deze schaatsers aan de bar in het Holland Heineken House. Bijzondere momenten, ik was erbij! Naast schaatsen keken we ook naar Kunstrijden en woonden we de IJshockeyfinale bij. In een verrassende Scandinavische finale tussen Finland en Zweden (normaliter zou je Amerika, Canada en Rusland verwachten) wonnen de Zweden in een meer spannende dan hoogstaande pot met 3-2.

In 2010 twijfelde ik dan ook niet om naar de Winterspelen in Vancouver te gaan. Deze keer had ik zelf wat gezellige vrienden opgetrommeld om naar Canada af te reizen. Het werd een legendarische trip. We zagen Sven Kramer winnen op de 5 kilometer. Iedereen zal zich van die spelen nog wel z’n verkeerde wissel op de 10 kilometer herinneren (toen waren we alweer thuis). Vancouver, gelegen tussen de bergen en de Stille Oceaan, wordt niet voor niks regelmatig gekozen tot de mooiste stad ter wereld. De dynamiek van deze stad is ontzettend groot; er wonen allemaal sportgekke Canadezen, de keuken is Frans georiënteerd en daarom gewoon écht goed. We liepen zelf paraderend door deze stad met onze opvallende witte Parka-jassen als ware wij het Nederlandse Curlingteam (hebben zich in werkelijkheid nog nooit geplaatst voor de Spelen). Zo zijn we in veel foto-albums terecht gekomen en haalden zelfs de roddelpagina van de wakkere krant van Nederland. Altijd fijn als je daar een weddenschap voor bubbels over hebt afgesloten (proost!). Naast sportwedstrijden hebben we hier ook veel uitspanningen meegepikt. Denk daarbij ook aan het unieke radio-interview van Erica Terpstra bij Radio 538. We hadden daarvoor met haar aan dezelfde feestborrel gestaan. Door het tijdsverschil met NL ging het soms een beetje mis…

In Sotsji waren we er natuurlijk ook bij. Hoewel iedereen in rep en roer was over de Zwarte weduwe (onderdeel uitmakend van groep terroristen uit de Kaukasus) die van plan zou zijn om een aanslag te plegen tijdens deze Winterspelen, lieten wij ons niet weerhouden om af te reizen naar deze badplaats aan de Zwarte Zee. Vergelijk het maar met Scheveningen. En inderdaad liepen de temperaturen tijdens deze Spelen hoog op, letterlijk (bijna 20 graden) en figuurlijk (op alle andere vlakken). Het begon al met mooie wandeling naar het hotel, waar bij binnenkomst de kamernummers nog op de deur geplakt moesten worden. Het was net op tijd klaar allemaal. Zelf kwamen we te laat bij de openingsceremonie binnen, want de voorafgaande lunch met wat Russen was iets te gezellig geworden. Daarbij werd op weg naar de het stadion ook nog de weg compleet afgezet voor president Poetin. Uiteindelijk konden we nog net Team NL zien binnenkomen om vervolgens tijdens het openingsspektakel van de ene verbazing in de andere te vallen. En dat was nog naar het begin. Onze eerste wedstrijd was de 5 kilometer van de mannen, daar pakten Kramer, Blokhuijsen en Bergsma de plekken 1, 2 en 3. Ireen Wüst pakte vervolgens goud op de 3 kilometer. Voor ons was het hoogtepunt de 1 – 2 – 3 op de 500 meter sprint. Niemand zal ooit vergeten hoe in een zinderende strijd (op honderden van seconden) uiteindelijk Michel Mulder op één honderdste seconde won. Hiermee gaf hij Smeekens en zijn broer Ronald het nakijken.

De feesten in het Holland Heineken House waren die dagen van ongeëvenaard niveau. Niet zo verwonderlijk als je beseft dat de Nederlandse equipe een record aantal medailles haalde (tijdens de Winterspelen); om precies te zijn 24 stuks (8x goud, 7x zilver en 9x brons). Het was dan ook bijna “begrijpelijk” dat Poetin, de man die de facto al sinds 2000 de machthebber in Rusland is, even kwam buurten daar. Als je vervolgens een vriend hebt, die één mooi zinnetje Russisch spreek, “wat een mooie spelen, meneer Poetin!”  dan weet je dat je een kus van hem krijgt. Deze staat nu nog steeds te boek als de “Kus des Doods”…  Over de persoon Poetin zal ik hier niet verder uitweiden. Ook dit blijft een onvergetelijk moment.

Ondertussen zijn de Winterspelen in PyeongChang in volle gang. Ben er deze keer niet bij, maar ik volg het op de voet. We hebben nu al na twee dagen een 1 – 2 – 3’tje te pakken op de 3 kilometer dames. Daarnaast heeft de man met het “telescoopbeen” Sjinkie – Frieser dan Fries, als je ‘m hoort praten – ook al een zilveren medaille gewonnen. Ik denk dat hij er nog wel één gaat halen. Niet onvermeld mag blijven dat de (bijna) meest succesvolste Nederlandse sporter op de Winterspelen, Sven Kramer, ook alweer goud heeft. Ook hij is besmet, maar dan nog met het niet ontdekte “winnaars-virus”!

Schaakmat

Voordat jullie denken dat mijn sportieve bestaan niet verder komt dan kilometers maken op een racefiets, dan heb ik voor velen – niet iedereen – een verrassing. Ik ben al sinds jongs af aan een verwoed schaker. Hoe is dat ooit begonnen?

Een oude buurman in de flat, waar ik als klein kind woonde, had mij het boekje “Oom Jan leert zijn neefje schaken” gegeven. Het boekje is al 75 jaar (!) in druk zag ik, en hoe kan het ook anders, geschreven door de eerste Nederlandse wereldkampioen Dr. Max Euwe. Voor de jongere generatie lezers misschien beter bekend van dat pleintje vlakbij het Leidse Plein of de toerist die op zoek is naar het Hard Rock Café (“and all I got was this louzy T-shirt”) in Amsterdam.

Ik leerde met dat boekje in de hand de regels van het edele schaakspel. Pin me er niet op vast, maar ik denk dat ik zo’n 8 jaar was. Schaken is natuurlijk helemaal niet stoer voor een klein mannetje, maar ik was direct gegrepen door dit fascinerende spel. Zo werd ik lid van de lokale schaakclub (in Leiderdorp) en speelde daar wekelijks op de jeugdavond m’n potjes schaak. Kreeg op een gegeven moment voor m’n verjaardag zelfs een heuse schaakcomputer, die ik gelukkig na enige tijd al de baas was. Hij maakte trouwens hele bijzondere piepjes bij het neerzetten van de stukken. Dat moest je vrij stevig doen – een touchscreen had toen nog nooit iemand van gehoord – anders accepteerde de computer de zet niet…

Eindeloos werd er ook met vriendjes geschaakt, hele middagen lang. Meestal potjes snelschaken, vliegensvlug zetten doen om dan heel hard en vooral zo snel mogelijk op de “Garde” schaakklok, die nog van echt hout was, te slaan. Al dit soort mooie momenten, waarin je samen met iemand op het scherpst van snede een bordspel speelde, zijn verloren gegaan aan eindeloze computerspelletjes, waar de jeugd van tegenwoordig zich meestal in eenzaamheid compleet aan heeft overgegeven. Hoe jammer is dat… Het is mij helaas ook niet gelukt om mijn eigen dochters écht aan het schaken te krijgen. Dat vind ik een grote misser van mijzelf en dus nog veel spijtiger.

Ik bleef zelfs in m’n middelbare school tijd geïnteresseerd in het schaakspel. Moest dat natuurlijk wel een beetje verbergen om niet tot de allergrootste nerd van de klas gebombardeerd te worden. Ik hockeyde gelukkig ook nog vrij fanatiek. Ging zelfs naar alle hockey-feesten; daarover binnenkort zeker meer. Mijn adoratie voor het schaakspel bleef echter niet helemaal onopgemerkt in de klas. We zitten ondertussen ergens begin jaren 80. Ik had op een ouderwetse briefkaart (jawel, zo’n ding met een vooraf gedrukte postzegel) aan het radioprogramma “Heb je een wens? Vraag het de VARA!” de eeuwig gekoesterde wens gestuurd om eens tegen de wereldkampioen te mogen schaken. Ik dacht daar wel aan toe te zijn na al mijn gewonnen partijtjes tegen de lokale grootheden. Op een gegeven moment werd ik door de concierge uit de klas geplukt. Of ik in het conciergehok aan de telefoon wilde komen. Daar had ik ineens “live” in de radio-uitzending Jack Spijkerman aan de lijn (hij presenteerde dat in z’n jonge jaren). Of ik tijdens het Interpolis Schaaktoernooi (in Tilburg), destijds één van de meest prestigieuze schaaktoernooi ter wereld, een potje schaak wilde spelen tegen de regerende wereldkampioen van destijds Anatoli Karpov. De tijden van Garri Kasparov moesten nog komen. Het was juist Victor Kortsjnoj – de naar het westen overgelopen Rus –  die in deze jaren zorgde voor zeer beladen matches voor het wereldkampioenschap. De meest bijzondere werd gespeeld in Baguio (1978). Destijds werd er gespeeld om 6 winstpartijen, waarbij remises niet meetelden. Nadat Karpov de 27e partij had gewonnen leidde hij met 5–2 en leek een afgetekende overwinning nabij. Van de volgende vier partijen won Kortsjnoj er echter drie, waarna het 5–5 stond. Karpov hervond zich en won de 32e partij. Deze oude beelden geven een mooi inkijkje in de wereld van topschakers toen.

Ik reisde dus enkele dagen later af naar Tilburg en mocht in de analyse-ruimte een potje tegen de wereldkampioen te spelen. Er is natuurlijk een foto van, maar deze kon na ruim 35 jaar niet meer vinden. De afloop van het spel tegen Karpov liet zich raden. In snel tempo werd ik van het bord geveegd; ik heb het over binnen enkele minuten, nog net géén seconden.

Mijn “moments of fame” op het schaakbord kwamen daarna nog. Als 14-jarig jongetje werd ik kampioen van de Leidse Schaakbond. Ik had mij daarmee gekwalificeerd voor het Nederlands kampioenschap (tot 20 jaar). Nu moet ik eerlijk zijn dat de beste twee Nederlandse (jeugd-) schakers van dat moment, de broertjes Marcel en Jeroen Piket, niet mee hoefden te doen aan deze (lokale) voorronden. Zij waren automatisch geplaatst voor de finale. Marcel Piket was namelijk regerend Nederlands Jeugdkampioen. In de eerste ronde moest ik direct tegen hem spelen. Mijn partij kwam op Teletekst (we zitten ver voor het internettijdperk); dat zal ik niet snel vergeten. Ik speelde een hele solide partij en miste een mooie kans op voordeel, waarmee ik wellicht had kunnen winnen. De partij werd in gelijke stand na 40 zetten afgebroken; zo ging dat toen nog als een partij te lang kon gaan duren. Tegenwoordig wordt er altijd met extra tijd doorgespeeld tot het afgelopen is. De volgende dag moest ik mijn partij uitspelen. Het was toen binnen een paar zetten afgelopen. Zijn secondanten (lees: meegereisde team van goede schakers) hadden alle mogelijke zetten en daaruit voortvloeiende stellingen compleet geanalyseerd, zodat Marcel het karwei tegen mij kon afmaken. Ook hier laat de afloop zich raden, ik eindigde in dit kampioenschap één na laatste (geloof van 18 deelnemers) en Jeroen Piket (jongere broer van Marcel) werd kampioen. Toch is het meedoen aan dit Nationale Kampioenschap een blijvende herinnering. Ook zal ik niet snel vergeten dat ik eens tijdens een regionaal toernooi een drie jaar jonger (maar wel getalenteerd) jochie versloeg en daarmee het toernooi won. Dat jochie is later één van de beste Nederlandse schakers ooit geworden, te weten Loek van Wely. Hij werd zeven keer Nederlands kampioen, waarvan de laatste keer in 2014. Ik kan me de beginzetten van die partij tegen Van Wely zelfs nog herinneren. Een scherpe Siciliaanse partij, waarin ik met de witte stukken speelde met als tweede zet pion c3. Die variant speel ik vandaag de dag nog steeds.

Sinds je op je computer (tegenwoordig ook op smartphone) kunt schaken tegen andere mensen op de wereld, speel ik met enige regelmaat een spelletje op Chess.com (meestal via hun app). Ik ben alleen niet meer zo scherp als vroeger. Daarnaast is ook mijn kennis over het openingsspel dusdanig vervaagd, dat ik vaak al naar zo’n zet of tien moet “vechten” voor een goede stelling. Om toch nog enige kans te maken, speel ik eigenlijk altijd snelschaak (voor de hele partij 3 minuten per persoon plus 2 seconden erbij voor iedere gedane zet). Hiermee probeer ik “cheaters” te ontlopen. Computers kunnen tegenwoordig namelijk alle schaakzetten bedenken. Sommige schakers weten daar zelfs tijdens het online spelen gebruik van te maken.

Wisten computers destijds (1997) Kasparov weleens te verslaan, de huidige wereldkampioen, Magnus Carlsen, is zo’n fenomeen, dat hij zich niet laat verschalken. Hij wordt niet voor niets de “Mozart van het schaken” genoemd. En ook al heb je wat minder met het schaakspelletje, dan nog kan ik de boeiende documentaire “Magnus” over hem aanraden. Je vindt ‘m nu hier.

Niet minder interessant is het om de komende jaren de schaakfamilie Van Foreest te volgen. In de documentaire “de Stelling van Foreest” zie je hoe de kinderen (vier jongens en klein meisje) onderwijs krijgen van hun ouders (niet naar school gaan dus) en worden opgevoed om als schakers succesvol te worden. Hier heb ik wel afentoe tenenkrommend naar zitten kijken. De documentairemakers misten in mijn ogen enkele kansen om dieper op het wel en wee van de kinderen in te gaan. Had graag van de kinderen zelf iets meer gehoord. Desalniettemin een bijzonder verhaal. De twee oudste broers Jorden en Lukas spelen op dit moment in de Challengers Groep van het Tata Chess Tournament (voorheen: Hoogovens schaaktoernooi) en Magnus Carlsen natuurlijk in de Hoofdgroep “Tata Steel Masters”. Hierdoor heb ik het schaakvirus ook weer even te pakken. Deze partijen zijn tegenwoordig “Live” te volgen via de computer.

Waaraan bewaar ik zelf als schaker de beste herinneringen? Misschien toch de momenten dat ik vrienden verraste met feit dat ik het spelletje zo grondig beheers, dat ik ook kan blindschaken.  Zonder naar het bord te kijken, kan ik de zetten doen (doorgeven dus) en zie ik het bord als het ware voor me.  Zo zocht ik in mijn studententijd vaak onwetende opponenten om met “hoge” inzet tegen mij te schaken (terwijl ik “blind” speelde). Mijn beste vrienden kenden ondertussen mijn geheime wapen (lees: m’n verpeste jeugd waardoor ik heb leren schaken) natuurlijk. Als de inzet tot grote hoogte was opgelopen (soms zelfs tot heel vat bier) en ik door alle commotie (vaak speel je ongezien tegen de halve kroeg) niet meer exact wist, waar alle stukken precies stonden, dan had ik samen met m’n vrienden een truc bedacht.

Zij zouden dan “per ongeluk” even tegen het bord aanstoten, waardoor wat stukken omvielen. Ik bood dan altijd aan om de stukken weer terug te zetten (had de stelling toch immers in mijn hoofd), maar kon dan ook direct m’n positie goed in mij opnemen. Op die manier kreeg ik alles weer scherp op vizier en maakte er dan met paar vernietigende zetten een eind aan, schaakmat (en direct aan het bier)!

Poreuze cirkel

De mensen -mag tegenwoordig géén mannen meer zeggen- die hun klassiekers kennen, zullen deze zinsnede direct herkennen van de Klisjeemannetjes, oftewel Van Kooten & de Bie.

In het TV programma “Mannen praten” klaagt Wim de Bie dat zijn seksleven niet je dat is. Kees van Kooten legt hem uit dat alles verankerd ligt in goed eten. Goed eten is je halve leven. Wanneer je niet goed eet kost alles meer inspanning. Daardoor raak je gefrustreerd en ga je nog meer roken en drinken én minder goed eten waardoor alles alleen nog maar zwaarder wordt.

Kees: Nee, maar dan zit jij waarschijnlijk in een poreuze cirkel. Wim: Zou jij denke? Kees: Jaa, ja, dat is waarschijnlijk psychisch. Wim: Ja, wat heb mijn jongeheer nou met psychisch te make? Kees: Fysiek is altijd psychisch! Wim: Oooh! Kees: Je eet teveel, zonder goed te kauwe, hè, dat wordt niet gelijkmatig opgenomen in je bloed…

Het mag duidelijk zijn dat we het hier hebben over een cirkel die niet helemaal dicht is. Er druppelt iets doorheen. Ik gebruik deze expressie zelf regelmatig om aan te geven dat ik -ondanks goeie bedoelingen- eigenlijk niet zo goed bezig ben. Om een voorbeeld te geven: je bent een ochtend heerlijk vol in “tiefschnee” aan het skiën, zodanig dat je écht merkt dat iets sportiefs aan het doen bent. Het voelt voor jezelf als “werken”… Vervolgens zie je bij je favoriete lunchstek een onweerstaanbare kaasfondue op de kaart staan. U snapt het al. Direct is alle inspanning tenietgedaan.

In deze donkere maanden heb ik vaker het gevoel dat ik in tegenstrijdige situaties terecht kom. Continu, die “ongewenste” verleidingen van eten en drinken, terwijl je weet dat je straks in januari weer “in shape” wilt geraken. Of het geven van cadeaus (maak je iemand wel gelukkig ermee?), of krijg je iets van een ander cadeau (ben je er wel gelukkig mee?). En dat ieder jaar weer. Het is allemaal zo’n gedoe, om nog maar eens in de woorden van Van Kooten & De Bie te spreken. Waarom herhalen dit soort zaken zich dan toch keer op keer? Zo zitten we uiteindelijk toch weer in een vicieuze cirkel.

Het doorbreken van zo’n cirkel is niet eenvoudig. De vraag is zelfs of het wenselijk is. Er bestaat namelijk naast een negatieve variant, ook een positieve versie. Zo merk ik bij mijzelf dat als ik eenmaal weer intensief ga sporten (lees: in mijn geval wielrennen), dan krijg ik daar zoveel energie van dat ik nog meer wil bewegen. Dit is voor veel mensen -mannen & vrouwen bedoel ik nu!- een herkenbaar fenomeen. Ons lichaam maakt dan namelijk endorfine aan. Je kunt het zien als een stofje dat je niet alleen aanmaakt bij sporten, maar ook bij verliefdheid, bij een orgasme of bij eten van bepaalde voeding, denk maar aan chocolade bijvoorbeeld. En ja, de voedingsmiddelenindustrie weet ook dat suikers en vetten endorfine aanmaken. Big business dus.  Voedingsbedrijven maken dus producten die ons een gelukzalig gevoel geven. Je eet dus vaak teveel ervan; ik denk alleen al even aan mijn kaasfondue van afgelopen week.

Dus dan liever weer even terug naar het sporten. Dagelijks meer lichaamsbeweging. Daarvan is bekend dat het stress ontlaadt en het depressieve gevoelens minder ruimte biedt. Als je zoals ik een fietser bent geworden, dan kost het wel veel tijd. Iedere keer moet je een stukje verder gaan (lees: jezelf pijn doen) om hetzelfde gevoel te creëren. Na eerdere uitdagingen als de Suydersee Klassieker (320 km in één dag), de beklimming van de Mont Ventoux (21 kilometer aan één stuk omhoog), heb ik samen met wat fietsmaten het plan gevat om deze zomer -rond de langste dag- naar Parijs te fietsen. Om eerlijk te zijn, wél in twee dagen. Ons ontbreekt het namelijk aan acute astma-aanvallen, die het rechtvaardigen -althans bij Froome- om 32 pufjes te nemen. Als je tenminste nog zo naïef bent om te denken dat hij het zichzelf zo heeft toegediend; natuurlijk is dit oraal (met tabletten) gegaan. Het is minstens netzo onnozel te roepen dat andere topwielrenners wel zonder hulpmiddelen tot exceptionele -vaak onmenselijke- prestaties in staat zijn. Of zouden die masseuses echt zo goed zijn, dat er nog wat extra endorfine aangemaakt wordt. Ik waag het te betwijfelen. Het hele professionele wielrennen -een sport waar ik dus actief liefhebber van ben- is één groot kat-en-muisspel tussen de wielrenners en de dopingcontroleurs.

Uiteindelijk zullen er altijd sporters zijn (niet alléén wielrenners dus) die de kortste weg naar de top willen bewandelen en daarbij niet nalaten om vals te spelen. Jullie geloven toch niet dat onze zwemmers, atlete (zonder -n) en schaatsers alleen op een paar borden pasta tot zulke uitzonderlijke prestaties komen. De enige “sport” waar doping volgens mij gestimuleerd wordt, is darts. Destijds dronk Barney al een paar baco’s om een beetje rustig te blijven bij het pijltjes gooien. Tegenwoordig zien ze er allemaal uit als kale halve malloten. Blijft wel een spannend kijkspelletje. Je hebt pas gewonnen als de laatste pijl op de juiste plek in het dartbord is verdwenen.

En eigenlijk moet ik zelf afentoe een beetje grinniken om sommige dopingaffaires; zeker als sporters en verzorgers heel creatief worden. In de wielrennerij moet je dan denken aan mechanische doping. Dat is echter nog maar zelden bewezen; best ingenieus dus.

In de spraakmakende documentaire Icarus zien we hoe Poetin (althans, ik denk dat hij ervan wist) de sporters uit z’n eigen land op zijn winterspelen in Sotsji -ik was erbij- wil laten schitteren. Door ’s-nachts flesjes met plas via een luikje te laten verwisselen (géén grap) voor schone urinemonsters konden Russische sporters vol aan de verboden spulletjes. Dit dopingprogramma heeft ervoor gezorgd dat we binnenkort in PyeongChang (bijna) géén Russische sporters zullen zien op de komende Winterspelen. Op dit moment is Noord-Korea met zijn hoofdstad Pyongyang overigens meer in het nieuws. Donald Trump en Kim Jong-un zijn hun carnivalsact vroeg gestart dit jaar. Zelden zo’n clowneske vertoning gezien als tussen die twee. Trump heeft Kim Jong-un bespot op Twitter. De Noord-Koreaanse leider had Trump kennelijk ‘oud’ genoemd. “Waarom doet hij dat nou?”, twitterde Trump beledigd. “Ik noem hem toch ook niet ‘klein en dik’?” Ik vraag me af, waar gaat dit over? Stel kleine kinderen…

Goed om te weten dat je endorfine trouwens ook schijnt te kunnen aanmaken met een lachbui. We hebben het dan wel over 10 minuten goed lachen. Je voelt je daarna “top”. Mensen (sorry, ik bedoel met name mannen!), misschien helpt het toch even om direct de gehele sketch van de Klisjeemannetjes weer eens te beluisteren. Lach ze!

Gokje

Aan het eind van het jaar word je altijd overstelpt met voorspellingen, ik noem het liever gokjes, maar dat zullen zichzelf benoemde experts in het voorspellen van de toekomst anders zien. Sommige dingen zie je gewoon aankomen, zoals dat Ajax-coach Marcel Keizer de Kerst niet zou halen.

Een erg geliefd onderwerp is natuurlijk altijd de ontwikkeling van de aandeelbeurzen. Overigens maar 27% van de Nederlandse bevolking waagt zijn vingers aan beleggen. Wij zijn als volkje veel meer spaarders. Dat levert op dit moment echter héél weinig op. Daarom gaan mensen dan toch weer risicovol beleggen of gokken (zoals op de bitcoin, daarover later meer). Vooralsnog zorgt dat voor steeds verder stijgende beurskoersen. De beurskenners die voorspellen dat de beurs volgend jaar weer gaat stijgen (dat is de laatste 6 jaar voor de AEX overigens sowieso het geval) hebben in mijn ogen net zoveel “kans” als diegene die een daling voorspellen. Eén ding is zeker bij iedere voorspellingen (of iets wel of niet gaat gebeuren), de helft zal gelijk krijgen, de andere helft niet, bij de volgende voorspelling zal de helft daarvan weer gelijk hebben etc. Er is aan het eind van de rit dus altijd iemand die wel 10 (of 100) keer achter elkaar iets goed heeft voorspeld. Vervolgens roep je dan dat je futuroloog bent.

Je kunt ook net als in de Amerikaanse TV serie “The Simpsons” gewoon heel veel dingen bedenken. “In the end” komen er dan zeker ook wat dingen uit. Toch is het in dit geval wel grappig om te zien welke dingen al “voorspeld” waren in deze TV-serie. In 2000 lieten zij Trump al president worden. Niet alleen de uitslag van de verkiezingen, maar ook de wijze waarop hij de trap afkwam en zijn speech hadden veel gelijkenissen. Er is een lijstje gemaakt van hun meest treffende “voorspellingen”.

Natuurlijk zijn dit geen echte voorspellingen, maar scenario’s of dingen die toevalligerwijs uitgekomen zijn. Door heel veel logische en/of realistische scenario’s te schrijven, bijvoorbeeld door te laten zien dat dingen maakbaar zijn, of dingen waarvan iedereen op z’n klompen kan aanvoelen dat die er ooit zullen komen.

Het wordt pas verontrustend als mensen die denken echt ergens verstand van te hebben, zoals onze nationale opiniepeiler (sinds mensheugenis voorspelt hij verkiezingsuitslagen) Maurice de Hond de milleniumbug voorziet. Hij voorspelde dat computers in de war zouden raken. Anderen dachten dat zelfs dat het licht zou uitvallen en kernraketten zouden misschien wel “vanzelf” opstijgen. Iedereen begon te hamsteren. Uiteindelijk gebeurde er niks en werkte alles op 1 januari 2000 prima. Aan de andere kant was het diezelfde De Hond de internet-revolutie voorzag. In 1995 vertelt hij bij Sonja Barend (zeg maar de Humberto Tan van vandaag) dat het leven er 10 jaar later totaal anders zou uitzien, omdat we alles online zouden kunnen bestellen. Daarover hoef ik verder niks meer te vertellen.

Ook aardig is om nog eens te kijken naar oude beelden van Chriet Titulaer, die dit jaar op drieënzeventig jarige is overleden. In de jaren 80 trok hij met zijn bijzondere Limburgse stemgeluid en markante baard in het TV programma “De wondere wereld” veel kijkers. Hij liet ons kennis maken met de laatste technische snufjes en deed veel voorspellingen over de toekomst. Hij werd de Nostradamus van de media genoemd. Er wordt nu gewerkt aan een ode voor deze man; je kunt zelfs stemmen op je favoriete fragment. Mijn favoriet is overigens die over toegang tot de skilift door gebruik van een skipas. Heb namelijk net ontdekt dat er in mijn favoriete skigebied een skipas is, genaamd “Ski Liberté”, die ervoor zorgt dat je alleen betaalt voor de dagen dat je daadwerkelijk skiet. Wist ik zelfs nog niet. Lijkt een beetje op de tolpas, die je kunt gebruiken op de Franse snelwegen. Deze skipas wordt overigens pas interessant als je meer dan 8 dagen skiet. Dat voornemen heb ik zeker dit jaar, de sneeuw is fantastisch.

Even terug naar de bitcoin; ongeveer het meest besproken “ding” dit jaar. Iedereen zal het erover eens zijn dat de bitcoin géén geld is. Het voldoet immers (nog) niet aan de drie functies van écht geld. Als eerste zou het een ruilmiddel moeten zijn. Je kunt op dit moment nog geen oliebol kopen met een bitcoin; misschien een met drugs gepoederde op het Dark Web (heb ervan gehoord, maar nog nooit bezocht). Ook de tweede functie als oppotmiddel is er niet. Je kunt geen bitcoins sparen, je krijgt er immers géén rente op. Je kunt ze natuurlijk wel van je spaargeld kopen, zoals de meeste mensen doen. Dat kan je beleggen noemen, net als bijvoorbeeld in goud. Tenslotte voldoet het niet aan de belangrijkste functie van geld, namelijk het zijn van een rekeneenheid. We drukken de waarde van bitcoins juist uit in euro’s of dollars (dat zijn dus wel rekeneenheden). Nu we weten dat bitcoins géén geld zijn, waarom kopen mensen deze en andere cryptomunten dan? Ik denk omdat mensen graag een gokje wagen; ze doen mee aan een spannend spel. Ik durf zelfs te zeggen aan een pyramidespel. Hierbij staan angst en hebberigheid centraal. De verleiding is groot omdat we horen van mensen, die enorme winsten zouden maken (ik ken ze niet). De grote winnaars zitten echter altijd in de top van de pyramide. Bij de bitcoin schijnt de verondersteld bedenker meneer (of mevrouw) Satoshi Nakamoto te zijn. Eerst zou het een Japanner zijn, maar recent dacht men even dat Elon Musk (de man achter Tesla) deze mysterieuze figuur was. Hij heeft dit echter ontkend. Als er geen nieuwe kopers van bitcoins meer bijkomen, zal de pyramide instorten. De dag waarop ik deze blog schrijf, viel de waarde alweer terug van $20.000 naar $13.000.

Cryptovaluta kunnen echter wel voor een monetaire revolutie gaan zorgen. Men zegt dat de blockchain-technologie erachter heel interessant is. Ben zelf echter nog steeds niet in staat om dat in een paar woorden uit te leggen; iets met digitaal uitwisselen van gegevens via een netwerk van computers. Ik ben er te nuchter voor en laat deze hype grotendeels aan me voorbijgaan. Heb wel een paar cryptomuntjes gekocht (Ethereum en Gulden), maar het doel daarvan was meer om het te gaan begrijpen, dan om er serieus in te beleggen. Na een paar dagen lukte het mij al niet meer om m’n wallet (soort elektrische portemonnee) te bereiken, dus vrees dat mijn muntjes al bijna “verloren” zijn, ondanks dat ze op papier flink in waarde zijn gestegen. Géén oliebollen dit jaar dus…

Toch durf ook ik wel een gewaagde uitspraak te doen in deze tijd van de Feestdagen. In Nederland gebeurt meer dan 80% procent van de auto-ongelukken met nuchtere mensen (dus niet beschonken). Dat is overigens ook gewoon statistisch bewezen. Dat het aantal auto-ongelukken afgelopen jaren weer is toegenomen -na lange tijd juist dalende te zijn geweest- wordt veroorzaakt door de sterke toename van smartphonegebruik in de auto. Het woord “appongeluk” is dan ook niet geheel verrassend net uitgeroepen tot het woord van het jaar. Ik voorzie dan ook -en jullie mogen het een voorspelling noemen!- dat binnen enkele jaren een maatregel genomen is om dit te beperken of zelfs te verbieden. Zo is het in Frankrijk vanaf komend jaar voor scholieren tussen 11 en 15 jaar verboden om hun telefoons te gebruiken; niet alleen in de les (dat is daar nu al verboden), maar ook gewoon overal op school. Denk dat hier thuis met drie kinderen in deze leeftijdscategorie een revolutie zou uitbreken. Blij dat ik alleen naar Frankrijk op vakantie ga en niet woon…

Wens iedereen natuurlijk een voorspoedig nieuwjaar en zou zeggen “waag eens een gokje”, misschien brengt het geluk!

Schaamteloos

We leven in een tijd waarin schaamteloosheid troef is. Het lijkt er soms op alsof we allemaal een bandeloos leven leiden tegenwoordig. Het woord kent “gelukkig” vele gedaanten. Dat laat ik graag zien aan de hand van wat voorbeelden uit het dagelijks leven.

Om te beginnen heeft bijna de helft van Nederland ook de afgelopen weken weer zonder schaamte -schaamteloos dus- gelogen over de Goedheiligman. Doen we dit wellicht omdat dit het enige typische Nederlandse feestje (naast Koningsdag) is, dat wij kennen. Moesten we altijd al net doen dat de Sint bestaat (soms met behulp van een Hulp-Sint), nu moeten we ook nog iets verzinnen op die Zwarte Pieten, die niet eens allemaal meer zwart mogen zijn. Doet me denken aan de blauwe smurfen van Vader Abraham (de Fluitsmurf begint…) totdat op een gegeven moment de hele familie om de hoek kwam kijken: Grote smurf, brilsmurf, lolsmurf, moppersmurf enzo verder. Gelukkig was er dan uiteindelijk ook Smurfin. Over emancipatie gesproken.

Zo gaat het nu ook met Zwarte Piet, als je een keertje naar het Sinterklaasjournaal hebt gekeken, komen ze allemaal voorbij: Hoofdpiet, Huispiet, Wellespiet (Nietespiet?), Pietje Precies, Boekpiet, Luisterpiet, Malle Pietje, Zielepiet en Vlogpiet. Je kunt zeggen dat het alleen maar “het in de maling nemen” is van je kinderen, maar we zijn er zelf ooit ook slachtoffer van geweest (#metoo). Die schijnheilige… Over onkuis -ook schaamteloos dus- gesproken, kijk nog maar eens naar deze Sinterklaas-sketch uit Jiskefet (nog steeds een Klassieker). Hans Teeuwen heeft trouwens het genre schaamteloze grappen bijna uitgevonden.

Heel schandelijk -écht schaamteloos dus- was de recente actie van de Radio 538 DJ Frank Dane. Hij is overigens de broer van die andere onbetamelijke -ook schaamteloze dus- grappenmaker Robert Jensen; jawel die met de slechtste sidekick allertijden Jan Paparazzi. Frank Dane liet een paar weken geleden in de 538 radiostudio tijdens een optreden van zangeres Maan (een kindersterretje die een aardig “moppie” kan zingen) een streaker wellustig -schaamteloos dus- met z’n blote pik voor haar neus dansen. Jullie zullen denken, dat dit een te slechte grap is om waar te zijn. Niet dus, zie hier de beelden. Gerucht gaat trouwens dat Gordon ‘m (laat even in het midden wat of wie) direct herkende. Over iemand gesproken zonder schaamtegevoel. Dane lijkt ermee weg te komen omdat hij daarna nogmaals met Maan het live op de radio heeft uitgepraat. Het arme meisje was natuurlijk bang dat niemand ooit meer haar plaatjes zou draaien. Muzikanten zijn blijkbaar nog steeds erg afhankelijk van het pluggen op de radio. Sommige dingen veranderen dus blijkbaar nooit.

Gelukkig zijn mijn eigen kinderen de “Sinterklaasleeftijd” al enige tijd voorbij. Met drie puberende tieners krijg je te maken met ongegeneerd -schaamteloos dus- liegen over allerlei zaken. Of het nu het ontkennen van thuis jatten van chocolade is, of de ongewenste bezoekjes aan de supermarkt voor fris en onfris (pinpassen verklappen veel), met het grootste gemak worden er mooie verhalen bij verzonnen. En dan hebben we het nog niet eens over het wel of niet gezoend hebben met vriendjes. Daar ontbreken totnutoe nog de bewijzen voor. Gelukkig maar, ik weet niet of ik daar al aan toe ben (waarschijnlijk is het al gebeurd)…

We herkennen deze dilemma’s allemaal (alléén van vroeger natuurlijk!). Waggelend en overal tegenaan botsend de trap op lopen en vervolgens bij hoog en laag beweren dat je echt niet teveel hebt gedronken. Een naar drank ruikende mond proberen te verhullen door een hele bus Mentos “Adje te trekken”. Dat laatste kan je ook lezen als een ontuchtige -dus schaamteloze- handeling, maar zo is het niet bedoeld.

Jullie zullen je ondertussen wel afvragen, waarom ik hier over dit soort bandeloze (schaamteloze dus) praktijken schrijf. De reden is dat ik zelf hier ook even zónder beleefde terughoudendheid -schaamteloos dus- reclame wil maken voor eigen parochie. Zoals tussen de regels al eens te lezen was, ben ik sinds deze zomer nauw betrokken geraakt bij de Spaghetteria’s. Dit is een nu nog kleine keten van pasta-restaurants. Afgelopen maand is de vijfde vestiging geopend in Amsterdam aan het Olympiaplein. Wat is hier zo bijzonder aan?

Twee jonge kerels met Italiaanse affiniteit hebben een échte Italiaanse pastabar weten te creëren met goeie Italiaanse koks en knappe jongens in de bediening. Zij gebruiken producten, die zij rechtstreeks uit Italië halen, onder andere het meel, waar zij zelf pasta’s en ravioli’s van maken in hun Laboratorio. Omdat in de Spaghetteria’s dagelijks slechts keuze is uit zes gerechten (wel regelmatig wisselend), is alles absoluut vers, maar belangrijker nog, er wordt niks weggegooid. Kortom: ook nog erg duurzaam.

Tenslotte zijn alle zaken heel sfeervol op z’n Italiaans ingericht, met grote tafels, waar je kunt aanschuiven (ook in je ééntje), met voldoende verlichting en bovenal aan het eind van de avond een espresso voor € 1,50 (cappuccino kan je niet bestellen, want die drinkt een Italiaan ’s-avonds niet). Het zijn dan ook de jonge Amsterdamse en Utrechtse (ook daar al één vestiging) hipsters, die de Spaghetteria’s flink omarmd hebben.

Precies, schaamteloosheid is ook mij niet vreemd, bon appetit (spaghetti alle vongole veraci)!

De Reünie

Tsja zo’n reünie, het blijft een bijzonder fenomeen. Waarom vindt een mens het leuk om na vele jaren -in dit geval 30 jaar- mensen waarmee je ooit iets gedeeld hebt -studieperiode aan Nyenrode- weer te zien? Vorig weekend had ik de “Homecoming” van mijn jaar 1987. Als één van de medeorganisatoren was ik al maanden vantevoren bezig met te bedenken hoe het zou zijn om al die lieden weer eens te zien. Door een sterk alumninetwerk en vindingen zoals “Feestboek”, waar ik zelf overigens wars van ben, hadden zich ruim 90 jaargenoten aangemeld. Een hoge opkomst.

Zou ik iedereen nog herkennen? Misschien was de vraag andersom meer terecht. Zouden zij deze beginnend grijzende, maar nog steeds behaarde, iets wat corpulente man, maar bovenal nog steeds jong van geest (zo’n jaartje studeren met 18 en 19 jarigen heeft wel geholpen!) wel herkennen? Het viel allemaal reuze mee…

Eerst had ik mijzelf maar eens de vraag gesteld, waarom een mens überhaupt de behoefte heeft aan zo’n reünie. Is het de nieuwsgierigheid, hoe mensen er ondertussen uitzien? Natuurlijk wel een beetje! De mannen zijn vaak iets kaler geworden of soms al een beetje tot behoorlijk grijs. De strak getrainde lichamen van toen (ahum) zijn deels verdwenen; het omgekeerde kan ook hebben we nu met eigen ogen kunnen zien. Interessanter (voor een man) is te zien hoe de dames zijn opgedroogd. Een positieve verrassing daargelaten zijn ook deze door de jaren getekend. En hoe erg is dat eigenlijk, we zijn allemaal precies dertig jaar ouder geworden. Het is veel droeviger om te realiseren dat dit niet voor iedereen geldt. Drie jaargenoten van ons zijn er helaas al niet meer -wiens overlijden wij bijzonder betreuren- en ook ernstige ziektes kloppen op de deur. Het is dan ook zeker niet alleen maar hosanna tijdens zo’n reünie, maar al gauw voeren de sterke verhalen van vroeger gelukkig de boventoon.

Willen we misschien weten hoe succesvol mensen zijn geworden? In de eerste jaren of beter gezegd decennia na de studie was dit waarschijnlijk nog een belangrijk ding. Volgens mij speelt dit voor mensen van gemiddeld bijna vijftig niet meer zo. Hoe mooi de vooruitzichten direct na het afronden van de studie ook waren en de carrières zich met komeetsnelheid ontwikkelden, ondertussen lijkt bij de meesten het moment van acceptatie dat niet iedereen aan de top kan verschijnen te zijn ingetreden. Althans zo denk ik er zelf over. Het is nu voor velen belangrijker om gezond te zijn, vaak met een gezinnetje en in alle gevallen een fijn leven te hebben. Die uitdaging is naast de “ultieme” job al groot genoeg. Toch willen we graag horen wat mensen zijn gaan doen en wat hun op dit moment zoal bezighoudt. Zo waren er deze avond mooie verhalen: “van fotograaf tot minister” en “van boer tot kasteelheer” (in hetzelfde genre als “van koektent tot president”). We weten nu hoe sommigen hun eerste centen verdienden, en hoe anderen een lang gekoesterde droom in vervulling hebben zien gaan.

Wat maakte Nyenrode eigenlijk zo bijzonder? Je leefde met bijna 600 studenten samen op de campus, je deelde met elkaar een kamer en at dagelijks 3 keer met elkaar in de mensa. Dit smeedde een hele hechte band. En natuurlijk, de excessen waren van alle tijden. Ik heb me daar niet aan kunnen onttrekken. Daarvoor was er de campusraad (“interne rechtspraak”), die bepaalde op welke wijze je gestraft werd. Alles bleef echter binnenshuis, géén internet (lees: géén publiciteit) en dus ook géén eeuwige “schade”. Je kon fouten maken, maar je ook weer herpakken. Ook de bangalijstjes (“claimsysteem”) bestonden al en in de Nyenroddel werden alle escapades ruim uitgemeten. Zijn we daar allemaal slechter van geworden? Nee zeker niet, het zorgde er bij mij in ieder geval voor dat ik als jong broekie van de middelbare school werd gevormd en aan die periode heel veel mooie en positieve herinneringen bewaar. Omdat Nyenrode slechts een driejarige opleiding was, wilde ik dat gevoel nog even vasthouden, waardoor ik nog een tweede studie in Groningen ben gaan doen. Studeren was toen nog dat ultieme vrije gevoel; precies het element dat ik vorig jaar tijdens m’n studie 3.0 een beetje miste.

Ons jaar (1987) van circa 160 studenten kende in ieder geval een grote verscheidenheid aan figuren, die hun vrijheid tegemoet gingen. Waar dat destijds tot veel plezier, maar zeker ook tot evenzoveel wrijving leidde, lijkt iedereen nu voor even dikke vrienden van elkaar te zijn. Na zoveel jaar zijn de scherpe kantjes er bij (bijna) iedereen wel vanaf. Toen kon je je nog druk maken over elkaars doen en laten. Zo was het nooit makkelijk als meerdere mensen hetzelfde jongetje of meisje beminden, of viel de consumptie van grote hoeveelheden bier of andere victualiën bij de één beter dan bij de ander. We hadden allemaal onze merites, sommigen zelfs wat meer dan een ander. Ik spreek hier voor mijzelf. Waar de zelfreflectie destijds bij mij ver te zoeken was, heb ook ik later nog iets geleerd. Het oordeel hierover is uiteraard aan anderen en niet aan mij.

Zoals gezegd waande ik mij vorige week weer even 30 jaar terug in de tijd. Ik mocht in de bar van Kasteeltaveerne “Int Moede Hooft” weer de drankjes schenken en de muziekjes draaien. We dronken hetzelfde ranzige bier uit dezelfde ranzige glazen als toen. Ik stond weer met m’n poten in centimeters bier en drab (schoenen konden direct bij grofvuil). En zelfs de liederen van toen “In café De koperen pul” enzo werden weer uit volle borst meegezongen. Waar vroeger nog de muziek via cassettebandjes ten gehore werd gebracht… Misschien goed voor de jongere lezers van mijn blog (ik weet dat die er zijn) even een link naar een plaatje hiervan.

Nu kon alle muziek gelukkig uit een computer (met Spotify!) tevoorschijn worden getoverd. Dus werden er klassiekers gedraaid als “Even aan m’n moeder vragen“, “Black Betty” en “You and me”, maar natuurlijk ook de moderne hits, waar onze kinderen nu uit hun dak op gaan, “Krantenwijk” en “Leef“. Zo is in dertig jaar tijd Hazes altijd nog een beetje bij ons gebleven.

Wat mij betreft doen we dit over 20 jaar nog eens over. Liever had ik gezegd 30 jaar, maar we moeten wel realistisch blijven; we worden allemaal écht een dagje ouder. Ik zeg dan ook: “zie jullie hopelijk allemaal weer in 2037!”

 

8200

Dit is niet het nummer van een nieuwe hulpdienst voor #MeToo gevallen (waarover zo meer), maar het cijfer dat hoort bij de elite unit van het Israëlische leger. Deze computerspionage-eenheid vormt veelal de basis van start-ups in de techsector. Ik had afgelopen week het voorrecht om deelnemer te zijn van een informele “handelsmissie” naar Tel Aviv. Zou zeggen: “Silicon Valley, eat your heart out…”

Het is dan ook niet vreemd dat grootmachten als Microsoft en Intel hier afentoe even het net komen ophalen. Zij pikken dan de krenten uit de pap. Je moet denken aan kleine start-ups, die vaak nog zonder klanten zijn (dat zou alleen maar lastig zijn). Deze worden voor tientallen soms honderden miljoenen overgenomen voor hun baanbrekende technologieën of gewoon om wat “smart guys” uit de markt te halen. Uiteraard trekt dit ook een groot aantal goudzoekers, zoals een groep Hollanders met een missie…

In goed gezelschap vertrok ik in ieder geval een dagje eerder naar Het Beloofde Land. Je zou wellicht wat meer veiligheidsmaatregelen verwachten, maar niks is minder waar. Heb bijna géén politieagent gezien of sirene gehoord. Zelfs niet toen wij als een stel onnozele toeristen tijdens onze city bike ride (aanrader!) een flink stuk snelweg moesten nemen om onze weg te kunnen vervolgen. Aan het fietsroute netwerk in Israël kan nog wel iets verbeterd worden. Het kilometerslange fietspad langs de kuststrook is overigens wonderschoon.

Volgend jaar zal hier in de Israël een grote wiellerronde (de Giro d’Italia) starten. Je kunt je nu al voorstellen dat dit prachtige beelden vanuit de lucht gaat opleveren van wielrenners, die zich als stipjes door de prachtige en verlaten Negev woestijn begeven om vervolgens langs de Dode Zee te razen. Hoorde wel van iemand, die zich daar bedrijfsmatig mee bezighoudt, dat het in beeld brengen van dit evenement aldaar ongeveer het meest kostbare is wat je kunt bedenken vanwege alle veiligheidsmaatregelen die genomen dienen te worden. Zomaar een vliegtuigje of helikopter daar de lucht in sturen is er niet bij. De plaatjes zullen ongetwijfeld mooi zijn en daar gaat het om. Israël wil de jaarlijkse stroom van nu bijna 4 miljoen toeristische bezoekers flink vergroten.

Zonder hier een oordeel te willen vormen over het Israelisch-Palestijns conflict, daarvoor is het mij veel te ingewikkeld, is het goed om te zien dat recentelijk de rivaliserende organisaties Hamas en Fatah een akkoord getekend hebben over politieke verzoening en een machtsoverdracht in Gaza. Hiermee lijkt in ieder geval voorlopig even een eind te komen aan deze jarenlange strijd. De positie van de Arabische Israëliërs, die ongeveer 20% van de bijna 8 miljoen koppige bevolking uitmaken, is echter nog steeds zorgelijk. Volgens de Arabische “techies”, die wij gesproken hebben, verdienen Arabieren wel een flink stuk minder (factor 4 tot 5 keer) dan hun Joodse evenknieën. Dit soort ongelijkheid helpt niet voor de verbroedering.

Volgens recente studies is Israël overigens wel één van de gelukkigste en gezondste landen ter wereld met een negende plaats van de 163 landen in de Bloomberg Health Index. De nummer 1 van deze lijst is wel behoorlijk verrassend. Dat is Italië dat zich onderscheidt met gratis gezondheidszorg. Wij staan zelf op de 13e plaats. Dat is altijd nog een stuk beter dan onze positie op de FIFA-wereldranglijst voetbal, waar we net weer een plekje bij de eerste 30 hebben veroverd. Dit verandert gelukkig overigens niks aan de komende rustige zomer (géén idiote Oranje taferelen).

Nog even over goudzoeken… Hoewel presenteren alle bedrijven erg goed afging, bleek het binnen het episch centrum van de techwereld toch ook moeilijk om in één keer een presentatie op een scherm te toveren. Ook hier moesten er diverse verloopstekkertjes, kabeltjes of mannetjes van IT afdeling aan te pas komen om dit te laten lukken. Zou nou niemand iets kunnen bedenken om draadloos (overal WIFi en bluetooth) direct een presentatie op het scherm te kunnen laten verschijnen. Ooit hoorde ik iemand zeggen dat je beter de spatels en scheppen kunt verkopen dan naar het goud zelf te zoeken. Dit bleek ook uit het ongekend mooie kantoor op de 53ste verdieping van het nieuwste en hoogste gebouw van Tel Aviv, de Azrieli Sarona Tower. Die advocaten hebben dat principe van die spatel-verkoop uitstekend begrepen.

In tegenstelling tot de discussie over Israël en Palestina heb ik wél een duidelijke mening over de hele #MeToo- discussie, die in mijn ogen compleet aan het doorslaan is. Hiermee wil ik absoluut géén afbreuk doen aan een paar hele schokkende en omvangrijke incidenten, maar als ook onze dagelijkse uitdrukkingen en gebaren ter discussie staan, dan gaat het wel écht te ver. Straks word je nog bijna standrechtelijk gelyncht als je bij de supermarkt vrolijk zwaaiend met je bankpas aan de caissière vraagt “kan ik ‘m er al in stoppen?” of als je galant wilt zijn voor een dame in de lift “zal ik even op het knopje drukken?” Laat staan de tandarts die aan een vrouw vraagt “heeft u nog gaatjes?” of “ik ga uw gaatje even vullen!” Je kunt dan maar beter direct een ander beroep kiezen, maar je moet ook géén dierenarts worden, die vraagt of “hij je poes mag zien?”. Stratenmakers (mooi beroep trouwens) hebben ook geen leven meer, als zij niet iemand mogen nafluiten. Daar krijg je toch geen psychische klachten van. En als je een keer in je kont geknepen wordt, dan geef je die gefrustreerde gozer geen Tikkie (handige app trouwens voor kleine betalingen), maar gewoon een vol knietje of een “Knockout hook”. Dat is tenminste wat ik mijn dochters adviseer.

Met dat soort ongewenste zaken weten die Israëlische legerveteranen van unit 8200 wel raad. Op een vraag van één van ons wat nou het geheim van hun succes in de techwereld is, antwoordde deze jonge techneut doodleuk. “Ssssssst, if I tell you, then I have to kill you…”