Kantelmomentje

Die zijn er in alle soorten en maten. Uiteraard heb ik – netals iedere rechtgeaarde econoom – ooit de bestseller “The Tipping Point” van Malcolm Gladwell (2000) gelezen, waarin hij aangeeft hoe kleine zaken grote impact kunnen hebben. Grote veranderingen in de samenleving kunnen dus heel onverwacht komen. Gladwell beschrijft dit aan de hand van ideeën, meningen en produkten, die zich pijlsnel als een epidemie verspreiden totdat het heel groot is.

Met een smartphone in onze broekzak en alle sociale mediakanalen lijkt het steeds “makkelijker” om een kritische massa te bereiken, die een verandering in gang kan zetten. Als de steen eenmaal over de heuvel is, dan is deze niet meer te stoppen. Toch worden we – in het licht van lange termijn trends – keer op keer verrast door dit soort kantelmomenten. Wanneer krijgen we de volgende wereldwijde recessie? Je kunt er gewoon op wachten.

Technologische ontwikkelingen gaan ook vaak sneller of juist langzamer dan menigeen denkt. Kijk bijvoorbeeld eens naar de ontwikkeling van de elektrische auto, die overigens rond de vorige eeuwwisseling al bestond. Jaren geleden werd de doorbraak ervan al voorspeld, maar tot op heden is slechts 1,4% van het Nederlandse wagenpark elektrisch of hybride. Dit is ook nog eens in belangrijke mate gestimuleerd door fiscale douceurtjes. Natuurlijk zijn de verwachtingen nog steeds dat we ooit allemaal elektrisch rijden. Een meerderheid van de Nederlandse bevolking staat daar positief tegenover. Daarnaast is rijden zonder uitstoot bijna noodzakelijk om aan de gestelde klimaatdoelen te voldoen. Vooralsnog is er echter nog géén sprake van een echte doorbraak in elektrisch rijden. Het is simpelweg nog te kostbaar in aanschaf (ondanks alle subsidies). De autorevolutie gaat blijkbaar hand in hand met de energierevolutie. Elektriciteit komt steeds meer uit zon en wind. Er is een sterke toename van eigen energieopwekking. Als je in de toekomst ook nog aan je elektrische auto zou kunnen verdienen door als opslagstation te dienen voor elektriciteitsbedrijven, dan kan het snel gaan. Hoewel eerst nog ons huidige wagenpark van ruim 8 miljoen auto’s “geruimd” moet worden. Over duurzaam gesproken…

Zelf had ik vorige week ook even een eigen kantelmomentje, ik werd namelijk 49. Als ik m’n omgeving moet geloven “geniet nu het nog kan, want volgend jaar word je 50” alsof dat het einde van wereld zou betekenen… Of de opmerking “je bent bijna op de helft”. Da’s statisch gezien onzin natuurlijk. De levensverwachting van een man die in de zestiger jaren is geboren, bedraagt nu ongeveer 71 jaar. Oké, als je vandaag als jongetje wordt geboren, mag je al verwachten 80 te worden. Voor vrouwen zijn de vooruitzichten nog beter, hoewel veel vrouwen van mijn leeftijd nu al klagen over de overgang. Pfff.

Zo benader ik m’n opkomende leeftijdsmijlpaal maar gekscherend – in lijn met m’n gestaakte studieavontuur –  zo: “volgend jaar word ik 18 met 32 jaar ervaring”. Je kunt het een “midlifecrisis” noemen, maar ik heb begrepen dat niet alleen mannen in deze periode hun vrouw willen inruilen voor een veel jonger exemplaar én daarbij een Harley of cabrio kopen, maar ook vrouwen zoeken frisse en fruitige jonge mannen met sexy baardjes en een sixpack. Zelf schijnen ze dan ook te willen verjongen, gaan plotseling fanatiek sporten en duiken de wereld van botox in. Dat gebeurt op steeds jongere leeftijd. “Booming industry” dus. Dat soort ingrepen hoeft van mij helemaal niet, ben juist zo heel gelukkig met m’n vrouw.

Dat is in de praktijk niet vanzelfsprekend. Het percentage echtscheidingen ligt rond de 40%. Schrikbarend hoog. Tuurlijk zie ik ook het ideaal van de eeuwige liefde en blijf ik het liefst voor altijd jong. Ondertussen komen toch de eerste grijze haren er doorheen en is het sixpack al jaren ver te zoeken als ik het überhaupt ooit had. Een baard laten groeien, dat is me dan weer wel gelukt. Eigenlijk willen we allemaal dat het leven een eeuwigheid duurt. Dit kan je volgens mij het beste omschrijven als tijdloosheid. We willen stil blijven staan. Dat is best merkwaardig, want om ons heen veranderd de wereld, en in dat kader wordt stilstand altijd als achteruitgang gezien.

Misschien is het voor zowel mannen als vrouwen een romantisch ideaalbeeld van altijd en eeuwig jong (en mooi) blijven. Er zijn om ons heen altijd jongere en mooiere mensen te vinden. Dichtbij zie ik onze eigen jonge kinderen, nu nog tieners. Deze meiden hebben nog een heel leven voor de boeg. Uiteindelijk doorlopen we in het leven allemaal dezelfde stappen van jong naar oud. Er zijn altijd mensen van achttien, negentien, vijfentwintig en ga zo maar door. Het lijkt daardoor of iedereen stilstaat en wij als enigen wél ouder worden. Natuurlijk zijn het steeds andere mensen die achttien zijn. Het is dus gelukkig maar een illusie.

Daarom geniet ik op dit moment erg van onze eigen opgroeiende kinderen. In hun hele doen en laten zijn het kopieën van jezelf, heerlijk om die spiegel voorgehouden te krijgen. Zo worden ook nu op school de kantjes er van af gelopen. In plaats van de boeken voor de boekenlijst te lezen, worden films bekeken (zoals ik ook deed vroeger) of tegenwoordig een luisterboek afgeluisterd. Precies uitrekenen welk cijfer je mag halen om toch nog net voldoende te staan. Voor de kinderen komt de toetsweek er aan; vroeger heette dat nog proefwerkweek, maar het principe is hetzelfde. Met de minimale inspanning voor het maximale resultaat gaan. Ook de grenzen wat betreft (te) laat thuiskomen worden opgezocht. De drang naar vrijheid is groot. Het is allemaal hartstikke herkenbaar. Ondertussen worden de plannen voor de vakantie al gesmeed. Het liefst alleen met vriendinnen naar Knokke of Albu (dat is afko voor Albufeira). Dat idee proberen we nog in goede banen te leiden. Heb voor deze zomer zelfs een spreadsheet gemaakt om nog precies te weten op welk moment, wie waar is en wanneer we met z’n allen als gezin samen zijn in de vakantieperiode. Eén voordeel van alle nieuwe communicatiemiddelen is dat het contact veel makkelijker te onderhouden is. Via allerlei “posts” op insta zie je afentoe nog wat van elkaars avonturen. De plannen zijn groots. Zo kunnen we alles “meebeleven”.

Een echt kantelmomentje voorzie ik echter als onze kinderen straks (het duurt gelukkig nog zo’n 4 à 5 jaar) het huis uit zijn. Het befaamde “Empty Nest Syndrome”, oftewel het lege-nest-syndroom. We zullen de streken van onze meiden nog eens gaan missen…

Brandschoon

Om te beginnen heb ik ervaren wat het als beginnend blogger betekent gestrand te zijn met een schrijversblok. Het ontbrak mij simpelweg aan energie en inspiratie om iets op papier te krijgen. De reden van deze kleine inzinking was echter evident. Na ruim vijftien jaar moest ik noodgedwongen de deuren van m’n geesteskindje sluiten, het ondergrondse speelpark TunFun in hartje Amsterdam.

Hoewel hier al deze jaren ondertussen al honderdduizenden Amsterdamse kinderen hebben gespeeld, was de gemeente Amsterdam – op aangeven van de brandweer – plotsklaps van mening dat de brandveiligheid niet in orde was.

Men had nieuwe inzichten gekregen met betrekking tot de wijze waarop men dit soort ruimtes beoordeelt. Voor iemand die er nog nooit geweest is, TunFun is gevestigd in een oude (betonnen) autotunnel, die eind jaren zestig gebouwd is (met destijds moderne technieken), gelegen aan het Mr. Visserplein.

In de negentiger jaren werd deze tunnel gesloten. Als reden werd aangegeven dat men Amsterdam meer verkeersluw wilde maken door deze snelle verbinding van het centrum naar Noord en Oost af te sluiten. Heb echter ook gehoord dat de tunnel – een drijvende betonnen bak – constructief niet geschikt was voor de sterke toename van het verkeer in deze jaren. Na jaren van leegstand, waarin de tunnel een soort vrijstaat werd voor graffiti kunstenaars (daar is een heel boek over geschreven “Amsterdam graffiti, the battle of Waterloo”) en ook wel de Hel van Dante genoemd werd, schrijft de gemeente in 2002 een prijsvraag uit.

Als jonge vaders (een studiemaat en ik) wonnen we deze prijsvraag (uit circa tien ideeën) met ons plan voor een echt gave kinderattractie in het hartje van Amsterdam, waar je zonder hinder van weer en verkeer kunt spelen. De eerste maanden (na opening in februari 2003) twijfelden we nog even of we wel iets goeds hadden bedacht; de bezoekers stroomden nog niet in grote getalen binnen. Achteraf bleek dat één van heetste zomers ooit gemeten te zijn. Een overdekte kinderspeeltuin moet het vooral van het natte Nederlandse weer hebben, maar dat is gelukkig meer regelmaat dan uitzondering. De jaren erna kwam de bezoekersstroom dan ook goed op gang en reikte tot zo’n 130.000 gemiddeld per jaar. Een hele generatie kinderen heeft er wel gespeeld.

Bijzonder was het toen we “sollicitaties” binnenkregen van jongeren, die als kind regelmatig in TunFun hadden gespeeld. TunFun is gaandeweg zelfs een generieke term voor overdekt spelen in Amsterdam geworden. Zeg maar zoiets als een Spa’tje gelijk staat aan bronwater bestellen.

Totdat kort geleden (medio april) als donderslag bij heldere hemel de mededeling kwam dat er naar aanleiding van een risicoanalyse van de brandweer grote zorg was over de brandveiligheid. De gestelde termijn van 1,5 week om aan alle vereiste maatregelen te voldoen was voor ons, ondanks enorme inspanningen, niet haalbaar. TunFun moest uiteindelijk op last van de gemeente (als handhaver) op 25 april jl. haar deuren sluiten.

Uit het brandweerrapport zou je bijna op kunnen maken dat TunFun levensgevaarlijk was al die jaren. Als dat het geval zou zijn, had ik als exploitant natuurlijk direct ingegrepen. Nooit heb ik dat gevoel van onveiligheid gehad; wel is een oude autotunnel natuurlijk een stoere en ruige ruimte, die niet “brandschoon” is. En ook de gemeente heeft bij al haar controles en het verlenen van de exploitatievergunningen (iedere vijf jaar) nooit eerder aangegeven dat de ruimte niet voldoet voor een kinderattractie.

Er werd juist gesproken over een langjarige huurovereenkomst attractie, maar na de rapportage van de brandweer kwamen er signalen van de gemeente (als verhuurder) dat er geen langjarige huurovereenkomst zou worden afgegeven. Na de sluiting en de impact die dat had op de Amsterdamse kinderen leek ineens een langjarig huurovereenkomst weer wel bespreekbaar. De politieke agenda is ondoorgrondelijk.

Voor mij is TunFun altijd een niet winstgevend project geweest met een belangrijke maatschappelijk functie, dat ik graag zie voortbestaan. De gemeente (lees: lokale bestuur) had daar meer waarde aan kunnen hechten. Wellicht heb ik dit eerder onvoldoende onder de aandacht gebracht. TunFun lijkt nu overigens gered door een professionele en kapitaalkrachtige partij met ruime ervaring in de leisure industrie, die bereid is met risico te investeren in de benodigde aanpassingen en vernieuwingen om TunFun een nieuwe toekomst te geven. Dat de overname van TunFun door deze partij niet vlekkeloos liep, kwam door een frontale botsing tussen ego’s. Het blijkt dat, hoewel mensen hetzelfde beogen (overdracht in dit geval), er grote verschillen kunnen zijn in de benadering van zo’n overnameproces.

Wat voor mij een (sympathiek en klein) maatschappelijk initiatief was, dat ik in harmonie wilde overdragen om de continuïteit voor zowel de Amsterdamse bezoekertjes en het TunFun-team van 28 mensen te waarborgen, werd door de andere partij benaderd als de overname van een multinational met (ondanks het symbolische bedrag, waarom het gaat) allerlei verrekeningen, vrijwaringen en garanties. Deze partij koos daarbij voor een hele dwingende juridische benadering. Zal jullie de details besparen (google zelf maar even), maar het voelde voor mij in ieder geval helemaal niet fijn. Het zorgde de afgelopen maand helaas voor veel negatieve energie. Uiteindelijk is de overdracht tot stand gekomen.

Toch hoop ik dat deze nieuwe eigenaar TunFun weer leven weet in te blazen, en dat het nog vele jaren één van de leukste attracties voor Amsterdamse kinderen mag zijn. Deze “clash” zonder echte winnaars (althans zo ervaar ik het) heeft mij de afgelopen maand in ieder geval even totaal geblokkeerd, maar ik ben weer helemaal terug…

Stokkie

Ja inderdaad “hockey speel je met een stokkie”. Dat is in al die jaren niet gewijzigd, maar is er bij het hockeyspelletje wel het nodige veranderd. Niet alleen zijn de regels flink op schop gegaan met al enige tijd geleden het afschaffen van buitenspel – ook nog steeds Marco van Basten’s paradepaardje voor wat betreft wijziging voetbalregels – en recenter de introductie van de selfpass en nog wat kleinere zaken, zoals strafslagen binnen de cirkel en afstand houden daarbij. Speelden wij zo’n dertig jaar geleden nog met echte houten sticks – gelukkig niet meer met zo’n megakrul, dat is écht van vroegguh – tegenwoordig wordt een beetje profistick gemaakt van allerlei kunststof materialen (carbon, fiberglas) en kost je zo een paar honderd euro als ie ook nog van een beetje merk moet zijn zoals Adidas of Osaka.

Ben zelf al zo’n 15 jaar geleden (na diverse knieoperaties; zal jullie de details besparen) gestopt met hockeyen, nadat ik daarvoor ook zo’n 25 jaar achter een balletje had aangehold op allerlei niveaus. “Druk een punt kerel” zeiden ze lang geleden. Nu is hockeyen, net als golfen al lang géén sport meer voor kakkers. Zo is ook studeren al lang niet meer voor de elite, hoewel dit met het leenstelsel wel weer dichterbij komt.

Terug naar de hockeyvelden. Mijn eerste herinneringen liggen op sportpark De Bloemerd (de kenners weten waar dat is), waar ik als “mini” (van een jaar of acht) heel hard rondrende op een klein veldje met pilonnen als doeltjes. Dat was in de leeftijdscategorie van wat tegenwoordig de E’tjes wordt genoemd. F-jes bestonden toen nog niet. Nu proberen ze kinderen vanaf zo jongs af aan mogelijk aan een bepaalde sport te krijgen, want dat zou “renderen”. Alles voor Olympische medailles! Ze zijn er ondertussen gelukkig wel achter dat jonge kinderen over de kling jagen met 5 keer trainen per week niet gezond is. Ook de lang heilig verklaarde 10.000 uren regel om de absolute top in een bepaalde sport te bereiken ligt sinds kort toch weer onder vuur. Misschien kinderen toch maar iets later laten beginnen met sporten in (prestatie-) teamverband?

Na een ambitieuze hockeyperiode in de jeugd (jazeker, eerste elftallen) en mogen spelen op kunstgras wat toen net in opkomst was, kwam de bijna onovertroffen tijd van het studententeam waarmee je in alle vroegte (althans zo voelde dat ook aan het begin van de middag) ergens de wei werd ingestuurd. Naast de geur van bier die uit al je poriën kwam, kon je nog net de heerlijke geur van vers gemaaid gras ontwaren. Dit waren wel de jaren waarin het ene na het andere kampioenschap werd binnengehaald met de meest mooie kampioensfeesten erachter aan. Als jongwerkende werd dit traject gewoon vervolgd, waarbij het thé dansant -betekent niks anders dan “vroeg” feestvieren – op zondag een ankerpunt in de week was. Ik heb er het geluk gehad mijn vrouw voor het eerst te ontmoeten. Zij vindt dit trouwens een heel “ballerige” blog. Nu heeft ze zelf ook gewoon bijna 25 jaar gehockeyd. Onze ouders deden overigens niet aan dit spelletje. Daar heeft ze een punt. En ze leefden nog lang en gelukkig…

Hoewel niet meer als actief speler blijft het hele hockeygebeuren (afentoe zo’n woord mag toch wel) tot op de dag van vandaag een bijzonder fenomeen. En hoewel ook bij deze sport ondertussen de zich ongelooflijk misdragende toeschouwers hun intrede hebben gedaan – de maatschappij dat ben jij! – blijft het een mooi spelletje. Met twee (van de drie) hockeyende dochters en vele momenten als coach langs de lijn en trainer in het veld durf ik dat te zeggen.

Hoe leuk is het om een stel meiden veel plezier aan het spelletje te laten en zien beleven. Overigens op zeer bescheiden niveau. Las dat veel clubs af willen van de terminologie “lijn- en breedteteams” omdat te stigmatiserend zou zijn. Alle aandacht gaat in praktijk inderdaad vaak uit naar de prestatieteams. Dat vind ik persoonlijk jammer, omdat in mijn ogen iedereen die in een veld staat altijd daar met de intentie zou moeten staan om er iets zo goeds mogelijk van te maken, waarbij sportiviteit en inzet de boventoon voeren. Dat betekent niet dat alle ballen in de kruising moeten verdwijnen. Dat kunnen alleen de echte profi’s, zo zag ik vorige zomer in het Wagenerstadion tijdens de EK finale nog hoe Kemperman dat deed. Wat een wedstrijd trouwens!

Het allerbelangrijkste zijn natuurlijk de hockeyfeesten! Daar mag ik me sinds enige tijd op ons cluppie van de zijlijn ook een beetje mee bemoeien, met heel veel genoegen uiteraard. Zojuist weer een AB-feest in optima forma meegekregen. Heerlijk om te zien hoe kids van 16, 17 soms 18 jaar helemaal uit hun dak gaan. Het draait hierbij maar om één ding, namelijk drinken. Vroeger was dat zoenen, want drinken was toen géén dingetje. Hoe ziet zo’n feest er tegenwoordig uit? Het clubhuis is een soort kooi geworden; eenmaal binnen niet meer naar buiten (want anders zou je die flessen wodka zo uit de bosjes kunnen pakken). Het indrinken is al compleet verbannen door (bijna) iedereen vooraf te laten blazen (alcolholtest laten doen dus). Zerotolerancebeleid dus. De jeugd moet creatiever zijn, en dat zijn ze ook.

Zo vullen vooral meisjes Breakers (ja, van die yoghurt knijpdingen) met wodka of ander sterk alcoholisch bocht en verstoppen deze op plekken waar niemand aan mag komen. Deze worden bij het eerste toiletbezoek direct “Adje getrokken”. Verder probeert menigeen met een vals ID (of geleend van oudere broer of zus) zich tot de 18 plus schare te verheffen, zodat er bier besteld mag worden. De polsbandjes die daarbij horen zijn voor velen de grootst gekoesterde droom; die proberen ze ook nog te vervalsen. Dat is moeilijker met katoenen feestbandjes met eenmalige sluiting. Het is een heerlijk kat-en-muisspel, en zo moet het ook zijn. We zijn allemaal jong geweest tenslotte.

De grootste boobytrap is echter als je kinderen aangeven dat ze naar HockeyLoverz willen. Klinkt heel vriendelijk. Dit is een compleet georganiseerd festival ergens in de polder. Ook deze zomer vieren daar drie weekenden achter elkaar zo’n 15.000 jongeren groot feest. En met hockey heeft het weinig te maken; de meeste kids nemen niet eens een stick mee. Elk jaar worden er wat minderjarigen met een alcoholvergiftiging naar het ziekenhuis afgevoerd. Dat zou je op zulke aantallen nog wel kunnen “vergoelijken” zolang het je eigen kind maar niet is… Het is echter allemaal nog wel iets heftiger, te weten “een groot neukfestijn”. Nog beter is het misschien om daar een “stokkie voor te steken”, of ben ik dan te ouderwets als vader van drie dochters?

 

Kuddegedrag

Rond deze tijd als de krokusjes weer uit de grond springen en iedereen weer bijna tegelijkertijd richting de skipistes vertrekt (letterlijk: tegen de berg opkruipt), moet ik denken aan een kudde schapen, die zich gedwee naar de stal laat leiden. Zo blijkt de mens ook maar gewoon een dier te zijn. Toch zit er iets fascinerends in het verschijnsel dat wij ons als mens soms (of beter gezegd regelmatig) compleet in de greep laten houden door een bepaalde – vaak idiote – gedachte.

Zo is uit onderzoek gebleken dat er slechts een minderheid van 5% nodig is om een groep van meer dan 200 personen naar een bepaalde locatie te leiden. Beter gezegd, wanneer 5% van de proefpersonen de opdracht krijgt om een bepaalde richting op te lopen, worden ze in alle gevallen gevolgd door de resterende 95% van de groep. De onderzoekers zagen een duidelijke ‘slang’ van mensen ontstaan. Toch hadden de deelnemers uit de volggroep nooit het idee dat zij anderen achterna liepen. Dit lijkt op het eerste gezicht best handig, maar met de “foute” leider kan je behoorlijk op de verkeerde plek uitkomen, of ergens waar je helemaal niet naartoe op weg was.

Groepsdenken klinkt in eerste instantie best gezellig en oké. Zo wordt bij het maken van moeilijke beslissingen vaak gesproken over “the wisdom of the crowd”. Veel leken weten het vaker beter dan de expert (denkt men). Mijn eigen observatie is echter dat je beter kunt spreken van “de kracht van de massa” en niet zo zeer hun wijsheid. Laat ik maar weer eens één van mijn favoriete onderwerpen aansnijden, te weten beleggen. Ze zeggen weleens dat als de taxichauffeur over beleggen begint te praten, dan weten de professionals dat ze moeten uitstappen.

Zo hoor ik op dit moment iedereen praten over allerlei cryptomuntjes. Deze digitale munten die via computernetwerken buiten banken en overheden worden beheerd, doen iets met ons. Wat dan precies? Denk dat toch het vooral de hebberigheid en angst is. We horen om ons heen allemaal verhalen van mensen die ongelooflijk veel geld ermee verdienen. Of dat blockchain de technologie van de toekomst is. Kan iemand mij dat nog eens in paar zinnen uitleggen? Begrijp heel goed dat mensen het straks héél pijnlijk vinden als ze als enige de boot gemist zouden hebben. De gevleugelde woorden van – de door andere omschreven als superbelegger – Warren Buffett zijn dan ook niet voor niks: “Be fearful when others are greedy and greedy when others are fearful.”

Er spelen naast groepsdenken natuurlijk heel veel zaken een rol bij besluitvorming. Zo betrap ik mijzelf er weleens op dat ik om de goede vrede in de groep te bewaren (lees: conflicten uit de weg te gaan) minder kritisch kijk naar de gevolgen van een beslissing. En later – bij een verkeerde afloop – is dit uiteraard met spijt als haren op m’n hoofd. Ook neem je vaak een beslissing die een ander al heeft genomen. Waarom vragen mensen aan tafel anders continu aan elkaar: “Wat ga jij nemen?”

Nog veel lastiger is het voor ons wanneer we al een bepaalde beslissing hebben genomen of een investering hebben gedaan, om terug te komen op een eerder besluit. Zelfs als er allerlei nieuwe feiten zijn, die een heroverweging meer dan zouden rechtvaardigen. Mensen kunnen zo irrationele beslissingen nemen om eerdere rationele beslissingen te rechtvaardigen. Onze neiging om informatie te zoeken of te filteren die onze opvattingen en vermoedens bevestigt, is algeheel bekend en heet in de psychologie de “confirmation bias”. Dit komt op allerlei manieren voor, zo bepaalt het onder andere ons voorkeursgedrag. Deze bevestigingsneiging is zo’n sterk ontwikkelde selectieve manier van redeneren, dat je je niet realiseert dat het tot denkfouten kan leiden. De kunst is om jezelf iedere keer weer de kritische vraag te stellen of je vermoeden wel juist is, of dat er iets is wat het ontkracht.

Ik heb er net als bijna iedereen ook last van dat ik zo lang mogelijk bij mijn eigen mening blijf. Wel probeer ik daarbij zoveel mogelijk een authentiek denker te zijn. Dus er niet alleen maar naar streven om zoveel mogelijk voorbeelden te bedenken om een gedachte te bevestigen, maar juist ook tegenvoorbeelden zoeken. Zo ben ik bij sportwedstrijden meestal ook voor de underdog (tegen beter weten in) en ben ik in mijn doen en laten vaak anticyclisch (zeg maar: “tegendraads”). Ook al leidt dit natuurlijk niet altijd tot de gewenste of verwachte uitkomst, toch haal ik er voor mijzelf het meeste genoegen uit. Dit staat overigens in schril contrast met feit dat ik altijd controle wil houden. Mijn vrienden kunnen daar over meepraten. Voor mijzelf verklaar ik dat altijd omdat ik niks moois wil missen. Zo kan ik continu dingen van m’n bucketlist blijven strepen. Wordt vervolgd.

Met al deze wetenschap is het weer een “geruststellende” gedachte dat wij dit weekend met zo’n 450.000 Nederlanders tegelijkertijd de Alpen inrijden. Opgedreven als een stel schapen. Natuurlijk denk ik dat ene slimme schaap te zijn die op zondag gaat…

Virus

Hiermee doel ik niet op het griepvirus dat de afgelopen maanden veel mensen compleet “knock-out” sloeg, maar op het Olympische virus. Sinds 1992 ben ik hiermee besmet geraakt, toen ik m’n eerste Olympische Spelen bijwoonde.

Hoe ging dat? Rechtstreeks vanuit Groningen, waar ik toen studeerde, reden we met vier vrienden in m’n eerste autootje – een rood Golfje, hij kon best “hard” – richting Albertville. We maakten eerst nog een tussenstop (overnachting) bij bekenden in Grenoble. Een leuke stad, zeker ‘s-avonds. Het avondje uit aldaar staat nog bijna net zo goed in mijn geheugen gegrift als de grote dag zelf, we gingen naar de 5 kilometer schaatsen voor Heren. Het laatste deel reisden we met de trein. We waren goed uitgedost, denk aan een compleet oranje overall, vlaggen op het gezicht geschilderd, vuurpijlen om af te steken (tegenwoordig verboden in elk stadion!) en oranje drankjes (voorgemengd, dus een soort breezer “avant la lettre”). In een grote stoet liepen we met veel Nederlanders naar het open lucht ijsstadion. Ja dat waren nog eens tijden. Het langebaan schaatsen vond plaats op afgelegen ijsbanen in vaak de meest winderige omgeving.

Terwijl wij ons nestelden op de tribune (free seating) naast de ouders van Hein Vergeer en Leo Visser – ja, dat waren onze helden toen – waren de eerste rijders al van start gegaan. Grote schermen in het stadion om mee te kijken, waren er nog niet. Je moest gewoon opletten; dat hadden wij dus niet gedaan. Op deze koude dag in februari schaatste de Noor Geir Karlstad vrij onbedreigd naar het goud. Vergeer was in geen velden of wegen te bekennen, maar Falko Zandstra – in bloedvorm dat jaar – schaatste naar het zilver. De grootste verrassing was de bronzen medaille van Leo Visser, die hij ook nog behaalde op de 1.500 meter met 9/100ste achterstand Johann Olav Koss. Na deze Spelen beëindigde de man uit Haastrecht zijn schaatscarrière.  Wij vierden deze zilveren en bronzen medailles als ware het goud; het bleef nog lang onrustig in Albertville en omstreken. Ik had de smaak vanaf dat moment flink te pakken.

In 2006 werd ik uitgenodigd om naar de Winterspelen van Turijn te gaan. In deze jaren voor de crisis was het voor grote bedrijven nog “ussance” om goede klanten uit te nodigen voor dit soort tripjes. Dat was later (na oktober 2008) snel voorbij. Ik herinner me de bijzondere race op de 10 kilometer voor mannen in een bijna ontploffend (overdekt) stadion in Turijn, Bob de Jong won in een ongekend spannende race goud. Met wel 10.000 Nederlandse fans op de tribune leek het stadion wel bijna te exploderen. Zowel in 2010 en 2014 wist De Jong nog brons te winnen op deze afstand, maar dit was echt de race van zijn leven. Voor de ondertussen schaatsbelg Bart Veldkamp waren het de laatste spelen; hij werd 14e. We stonden na afloop met deze schaatsers aan de bar in het Holland Heineken House. Bijzondere momenten, ik was erbij! Naast schaatsen keken we ook naar Kunstrijden en woonden we de IJshockeyfinale bij. In een verrassende Scandinavische finale tussen Finland en Zweden (normaliter zou je Amerika, Canada en Rusland verwachten) wonnen de Zweden in een meer spannende dan hoogstaande pot met 3-2.

In 2010 twijfelde ik dan ook niet om naar de Winterspelen in Vancouver te gaan. Deze keer had ik zelf wat gezellige vrienden opgetrommeld om naar Canada af te reizen. Het werd een legendarische trip. We zagen Sven Kramer winnen op de 5 kilometer. Iedereen zal zich van die spelen nog wel z’n verkeerde wissel op de 10 kilometer herinneren (toen waren we alweer thuis). Vancouver, gelegen tussen de bergen en de Stille Oceaan, wordt niet voor niks regelmatig gekozen tot de mooiste stad ter wereld. De dynamiek van deze stad is ontzettend groot; er wonen allemaal sportgekke Canadezen, de keuken is Frans georiënteerd en daarom gewoon écht goed. We liepen zelf paraderend door deze stad met onze opvallende witte Parka-jassen als ware wij het Nederlandse Curlingteam (hebben zich in werkelijkheid nog nooit geplaatst voor de Spelen). Zo zijn we in veel foto-albums terecht gekomen en haalden zelfs de roddelpagina van de wakkere krant van Nederland. Altijd fijn als je daar een weddenschap voor bubbels over hebt afgesloten (proost!). Naast sportwedstrijden hebben we hier ook veel uitspanningen meegepikt. Denk daarbij ook aan het unieke radio-interview van Erica Terpstra bij Radio 538. We hadden daarvoor met haar aan dezelfde feestborrel gestaan. Door het tijdsverschil met NL ging het soms een beetje mis…

In Sotsji waren we er natuurlijk ook bij. Hoewel iedereen in rep en roer was over de Zwarte weduwe (onderdeel uitmakend van groep terroristen uit de Kaukasus) die van plan zou zijn om een aanslag te plegen tijdens deze Winterspelen, lieten wij ons niet weerhouden om af te reizen naar deze badplaats aan de Zwarte Zee. Vergelijk het maar met Scheveningen. En inderdaad liepen de temperaturen tijdens deze Spelen hoog op, letterlijk (bijna 20 graden) en figuurlijk (op alle andere vlakken). Het begon al met mooie wandeling naar het hotel, waar bij binnenkomst de kamernummers nog op de deur geplakt moesten worden. Het was net op tijd klaar allemaal. Zelf kwamen we te laat bij de openingsceremonie binnen, want de voorafgaande lunch met wat Russen was iets te gezellig geworden. Daarbij werd op weg naar de het stadion ook nog de weg compleet afgezet voor president Poetin. Uiteindelijk konden we nog net Team NL zien binnenkomen om vervolgens tijdens het openingsspektakel van de ene verbazing in de andere te vallen. En dat was nog naar het begin. Onze eerste wedstrijd was de 5 kilometer van de mannen, daar pakten Kramer, Blokhuijsen en Bergsma de plekken 1, 2 en 3. Ireen Wüst pakte vervolgens goud op de 3 kilometer. Voor ons was het hoogtepunt de 1 – 2 – 3 op de 500 meter sprint. Niemand zal ooit vergeten hoe in een zinderende strijd (op honderden van seconden) uiteindelijk Michel Mulder op één honderdste seconde won. Hiermee gaf hij Smeekens en zijn broer Ronald het nakijken.

De feesten in het Holland Heineken House waren die dagen van ongeëvenaard niveau. Niet zo verwonderlijk als je beseft dat de Nederlandse equipe een record aantal medailles haalde (tijdens de Winterspelen); om precies te zijn 24 stuks (8x goud, 7x zilver en 9x brons). Het was dan ook bijna “begrijpelijk” dat Poetin, de man die de facto al sinds 2000 de machthebber in Rusland is, even kwam buurten daar. Als je vervolgens een vriend hebt, die één mooi zinnetje Russisch spreek, “wat een mooie spelen, meneer Poetin!”  dan weet je dat je een kus van hem krijgt. Deze staat nu nog steeds te boek als de “Kus des Doods”…  Over de persoon Poetin zal ik hier niet verder uitweiden. Ook dit blijft een onvergetelijk moment.

Ondertussen zijn de Winterspelen in PyeongChang in volle gang. Ben er deze keer niet bij, maar ik volg het op de voet. We hebben nu al na twee dagen een 1 – 2 – 3’tje te pakken op de 3 kilometer dames. Daarnaast heeft de man met het “telescoopbeen” Sjinkie – Frieser dan Fries, als je ‘m hoort praten – ook al een zilveren medaille gewonnen. Ik denk dat hij er nog wel één gaat halen. Niet onvermeld mag blijven dat de (bijna) meest succesvolste Nederlandse sporter op de Winterspelen, Sven Kramer, ook alweer goud heeft. Ook hij is besmet, maar dan nog met het niet ontdekte “winnaars-virus”!

Schaakmat

Voordat jullie denken dat mijn sportieve bestaan niet verder komt dan kilometers maken op een racefiets, dan heb ik voor velen – niet iedereen – een verrassing. Ik ben al sinds jongs af aan een verwoed schaker. Hoe is dat ooit begonnen?

Een oude buurman in de flat, waar ik als klein kind woonde, had mij het boekje “Oom Jan leert zijn neefje schaken” gegeven. Het boekje is al 75 jaar (!) in druk zag ik, en hoe kan het ook anders, geschreven door de eerste Nederlandse wereldkampioen Dr. Max Euwe. Voor de jongere generatie lezers misschien beter bekend van dat pleintje vlakbij het Leidse Plein of de toerist die op zoek is naar het Hard Rock Café (“and all I got was this louzy T-shirt”) in Amsterdam.

Ik leerde met dat boekje in de hand de regels van het edele schaakspel. Pin me er niet op vast, maar ik denk dat ik zo’n 8 jaar was. Schaken is natuurlijk helemaal niet stoer voor een klein mannetje, maar ik was direct gegrepen door dit fascinerende spel. Zo werd ik lid van de lokale schaakclub (in Leiderdorp) en speelde daar wekelijks op de jeugdavond m’n potjes schaak. Kreeg op een gegeven moment voor m’n verjaardag zelfs een heuse schaakcomputer, die ik gelukkig na enige tijd al de baas was. Hij maakte trouwens hele bijzondere piepjes bij het neerzetten van de stukken. Dat moest je vrij stevig doen – een touchscreen had toen nog nooit iemand van gehoord – anders accepteerde de computer de zet niet…

Eindeloos werd er ook met vriendjes geschaakt, hele middagen lang. Meestal potjes snelschaken, vliegensvlug zetten doen om dan heel hard en vooral zo snel mogelijk op de “Garde” schaakklok, die nog van echt hout was, te slaan. Al dit soort mooie momenten, waarin je samen met iemand op het scherpst van snede een bordspel speelde, zijn verloren gegaan aan eindeloze computerspelletjes, waar de jeugd van tegenwoordig zich meestal in eenzaamheid compleet aan heeft overgegeven. Hoe jammer is dat… Het is mij helaas ook niet gelukt om mijn eigen dochters écht aan het schaken te krijgen. Dat vind ik een grote misser van mijzelf en dus nog veel spijtiger.

Ik bleef zelfs in m’n middelbare school tijd geïnteresseerd in het schaakspel. Moest dat natuurlijk wel een beetje verbergen om niet tot de allergrootste nerd van de klas gebombardeerd te worden. Ik hockeyde gelukkig ook nog vrij fanatiek. Ging zelfs naar alle hockey-feesten; daarover binnenkort zeker meer. Mijn adoratie voor het schaakspel bleef echter niet helemaal onopgemerkt in de klas. We zitten ondertussen ergens begin jaren 80. Ik had op een ouderwetse briefkaart (jawel, zo’n ding met een vooraf gedrukte postzegel) aan het radioprogramma “Heb je een wens? Vraag het de VARA!” de eeuwig gekoesterde wens gestuurd om eens tegen de wereldkampioen te mogen schaken. Ik dacht daar wel aan toe te zijn na al mijn gewonnen partijtjes tegen de lokale grootheden. Op een gegeven moment werd ik door de concierge uit de klas geplukt. Of ik in het conciergehok aan de telefoon wilde komen. Daar had ik ineens “live” in de radio-uitzending Jack Spijkerman aan de lijn (hij presenteerde dat in z’n jonge jaren). Of ik tijdens het Interpolis Schaaktoernooi (in Tilburg), destijds één van de meest prestigieuze schaaktoernooi ter wereld, een potje schaak wilde spelen tegen de regerende wereldkampioen van destijds Anatoli Karpov. De tijden van Garri Kasparov moesten nog komen. Het was juist Victor Kortsjnoj – de naar het westen overgelopen Rus –  die in deze jaren zorgde voor zeer beladen matches voor het wereldkampioenschap. De meest bijzondere werd gespeeld in Baguio (1978). Destijds werd er gespeeld om 6 winstpartijen, waarbij remises niet meetelden. Nadat Karpov de 27e partij had gewonnen leidde hij met 5–2 en leek een afgetekende overwinning nabij. Van de volgende vier partijen won Kortsjnoj er echter drie, waarna het 5–5 stond. Karpov hervond zich en won de 32e partij. Deze oude beelden geven een mooi inkijkje in de wereld van topschakers toen.

Ik reisde dus enkele dagen later af naar Tilburg en mocht in de analyse-ruimte een potje tegen de wereldkampioen te spelen. Er is natuurlijk een foto van, maar deze kon na ruim 35 jaar niet meer vinden. De afloop van het spel tegen Karpov liet zich raden. In snel tempo werd ik van het bord geveegd; ik heb het over binnen enkele minuten, nog net géén seconden.

Mijn “moments of fame” op het schaakbord kwamen daarna nog. Als 14-jarig jongetje werd ik kampioen van de Leidse Schaakbond. Ik had mij daarmee gekwalificeerd voor het Nederlands kampioenschap (tot 20 jaar). Nu moet ik eerlijk zijn dat de beste twee Nederlandse (jeugd-) schakers van dat moment, de broertjes Marcel en Jeroen Piket, niet mee hoefden te doen aan deze (lokale) voorronden. Zij waren automatisch geplaatst voor de finale. Marcel Piket was namelijk regerend Nederlands Jeugdkampioen. In de eerste ronde moest ik direct tegen hem spelen. Mijn partij kwam op Teletekst (we zitten ver voor het internettijdperk); dat zal ik niet snel vergeten. Ik speelde een hele solide partij en miste een mooie kans op voordeel, waarmee ik wellicht had kunnen winnen. De partij werd in gelijke stand na 40 zetten afgebroken; zo ging dat toen nog als een partij te lang kon gaan duren. Tegenwoordig wordt er altijd met extra tijd doorgespeeld tot het afgelopen is. De volgende dag moest ik mijn partij uitspelen. Het was toen binnen een paar zetten afgelopen. Zijn secondanten (lees: meegereisde team van goede schakers) hadden alle mogelijke zetten en daaruit voortvloeiende stellingen compleet geanalyseerd, zodat Marcel het karwei tegen mij kon afmaken. Ook hier laat de afloop zich raden, ik eindigde in dit kampioenschap één na laatste (geloof van 18 deelnemers) en Jeroen Piket (jongere broer van Marcel) werd kampioen. Toch is het meedoen aan dit Nationale Kampioenschap een blijvende herinnering. Ook zal ik niet snel vergeten dat ik eens tijdens een regionaal toernooi een drie jaar jonger (maar wel getalenteerd) jochie versloeg en daarmee het toernooi won. Dat jochie is later één van de beste Nederlandse schakers ooit geworden, te weten Loek van Wely. Hij werd zeven keer Nederlands kampioen, waarvan de laatste keer in 2014. Ik kan me de beginzetten van die partij tegen Van Wely zelfs nog herinneren. Een scherpe Siciliaanse partij, waarin ik met de witte stukken speelde met als tweede zet pion c3. Die variant speel ik vandaag de dag nog steeds.

Sinds je op je computer (tegenwoordig ook op smartphone) kunt schaken tegen andere mensen op de wereld, speel ik met enige regelmaat een spelletje op Chess.com (meestal via hun app). Ik ben alleen niet meer zo scherp als vroeger. Daarnaast is ook mijn kennis over het openingsspel dusdanig vervaagd, dat ik vaak al naar zo’n zet of tien moet “vechten” voor een goede stelling. Om toch nog enige kans te maken, speel ik eigenlijk altijd snelschaak (voor de hele partij 3 minuten per persoon plus 2 seconden erbij voor iedere gedane zet). Hiermee probeer ik “cheaters” te ontlopen. Computers kunnen tegenwoordig namelijk alle schaakzetten bedenken. Sommige schakers weten daar zelfs tijdens het online spelen gebruik van te maken.

Wisten computers destijds (1997) Kasparov weleens te verslaan, de huidige wereldkampioen, Magnus Carlsen, is zo’n fenomeen, dat hij zich niet laat verschalken. Hij wordt niet voor niets de “Mozart van het schaken” genoemd. En ook al heb je wat minder met het schaakspelletje, dan nog kan ik de boeiende documentaire “Magnus” over hem aanraden. Je vindt ‘m nu hier.

Niet minder interessant is het om de komende jaren de schaakfamilie Van Foreest te volgen. In de documentaire “de Stelling van Foreest” zie je hoe de kinderen (vier jongens en klein meisje) onderwijs krijgen van hun ouders (niet naar school gaan dus) en worden opgevoed om als schakers succesvol te worden. Hier heb ik wel afentoe tenenkrommend naar zitten kijken. De documentairemakers misten in mijn ogen enkele kansen om dieper op het wel en wee van de kinderen in te gaan. Had graag van de kinderen zelf iets meer gehoord. Desalniettemin een bijzonder verhaal. De twee oudste broers Jorden en Lukas spelen op dit moment in de Challengers Groep van het Tata Chess Tournament (voorheen: Hoogovens schaaktoernooi) en Magnus Carlsen natuurlijk in de Hoofdgroep “Tata Steel Masters”. Hierdoor heb ik het schaakvirus ook weer even te pakken. Deze partijen zijn tegenwoordig “Live” te volgen via de computer.

Waaraan bewaar ik zelf als schaker de beste herinneringen? Misschien toch de momenten dat ik vrienden verraste met feit dat ik het spelletje zo grondig beheers, dat ik ook kan blindschaken.  Zonder naar het bord te kijken, kan ik de zetten doen (doorgeven dus) en zie ik het bord als het ware voor me.  Zo zocht ik in mijn studententijd vaak onwetende opponenten om met “hoge” inzet tegen mij te schaken (terwijl ik “blind” speelde). Mijn beste vrienden kenden ondertussen mijn geheime wapen (lees: m’n verpeste jeugd waardoor ik heb leren schaken) natuurlijk. Als de inzet tot grote hoogte was opgelopen (soms zelfs tot heel vat bier) en ik door alle commotie (vaak speel je ongezien tegen de halve kroeg) niet meer exact wist, waar alle stukken precies stonden, dan had ik samen met m’n vrienden een truc bedacht.

Zij zouden dan “per ongeluk” even tegen het bord aanstoten, waardoor wat stukken omvielen. Ik bood dan altijd aan om de stukken weer terug te zetten (had de stelling toch immers in mijn hoofd), maar kon dan ook direct m’n positie goed in mij opnemen. Op die manier kreeg ik alles weer scherp op vizier en maakte er dan met paar vernietigende zetten een eind aan, schaakmat (en direct aan het bier)!

Poreuze cirkel

De mensen -mag tegenwoordig géén mannen meer zeggen- die hun klassiekers kennen, zullen deze zinsnede direct herkennen van de Klisjeemannetjes, oftewel Van Kooten & de Bie.

In het TV programma “Mannen praten” klaagt Wim de Bie dat zijn seksleven niet je dat is. Kees van Kooten legt hem uit dat alles verankerd ligt in goed eten. Goed eten is je halve leven. Wanneer je niet goed eet kost alles meer inspanning. Daardoor raak je gefrustreerd en ga je nog meer roken en drinken én minder goed eten waardoor alles alleen nog maar zwaarder wordt.

Kees: Nee, maar dan zit jij waarschijnlijk in een poreuze cirkel. Wim: Zou jij denke? Kees: Jaa, ja, dat is waarschijnlijk psychisch. Wim: Ja, wat heb mijn jongeheer nou met psychisch te make? Kees: Fysiek is altijd psychisch! Wim: Oooh! Kees: Je eet teveel, zonder goed te kauwe, hè, dat wordt niet gelijkmatig opgenomen in je bloed…

Het mag duidelijk zijn dat we het hier hebben over een cirkel die niet helemaal dicht is. Er druppelt iets doorheen. Ik gebruik deze expressie zelf regelmatig om aan te geven dat ik -ondanks goeie bedoelingen- eigenlijk niet zo goed bezig ben. Om een voorbeeld te geven: je bent een ochtend heerlijk vol in “tiefschnee” aan het skiën, zodanig dat je écht merkt dat iets sportiefs aan het doen bent. Het voelt voor jezelf als “werken”… Vervolgens zie je bij je favoriete lunchstek een onweerstaanbare kaasfondue op de kaart staan. U snapt het al. Direct is alle inspanning tenietgedaan.

In deze donkere maanden heb ik vaker het gevoel dat ik in tegenstrijdige situaties terecht kom. Continu, die “ongewenste” verleidingen van eten en drinken, terwijl je weet dat je straks in januari weer “in shape” wilt geraken. Of het geven van cadeaus (maak je iemand wel gelukkig ermee?), of krijg je iets van een ander cadeau (ben je er wel gelukkig mee?). En dat ieder jaar weer. Het is allemaal zo’n gedoe, om nog maar eens in de woorden van Van Kooten & De Bie te spreken. Waarom herhalen dit soort zaken zich dan toch keer op keer? Zo zitten we uiteindelijk toch weer in een vicieuze cirkel.

Het doorbreken van zo’n cirkel is niet eenvoudig. De vraag is zelfs of het wenselijk is. Er bestaat namelijk naast een negatieve variant, ook een positieve versie. Zo merk ik bij mijzelf dat als ik eenmaal weer intensief ga sporten (lees: in mijn geval wielrennen), dan krijg ik daar zoveel energie van dat ik nog meer wil bewegen. Dit is voor veel mensen -mannen & vrouwen bedoel ik nu!- een herkenbaar fenomeen. Ons lichaam maakt dan namelijk endorfine aan. Je kunt het zien als een stofje dat je niet alleen aanmaakt bij sporten, maar ook bij verliefdheid, bij een orgasme of bij eten van bepaalde voeding, denk maar aan chocolade bijvoorbeeld. En ja, de voedingsmiddelenindustrie weet ook dat suikers en vetten endorfine aanmaken. Big business dus.  Voedingsbedrijven maken dus producten die ons een gelukzalig gevoel geven. Je eet dus vaak teveel ervan; ik denk alleen al even aan mijn kaasfondue van afgelopen week.

Dus dan liever weer even terug naar het sporten. Dagelijks meer lichaamsbeweging. Daarvan is bekend dat het stress ontlaadt en het depressieve gevoelens minder ruimte biedt. Als je zoals ik een fietser bent geworden, dan kost het wel veel tijd. Iedere keer moet je een stukje verder gaan (lees: jezelf pijn doen) om hetzelfde gevoel te creëren. Na eerdere uitdagingen als de Suydersee Klassieker (320 km in één dag), de beklimming van de Mont Ventoux (21 kilometer aan één stuk omhoog), heb ik samen met wat fietsmaten het plan gevat om deze zomer -rond de langste dag- naar Parijs te fietsen. Om eerlijk te zijn, wél in twee dagen. Ons ontbreekt het namelijk aan acute astma-aanvallen, die het rechtvaardigen -althans bij Froome- om 32 pufjes te nemen. Als je tenminste nog zo naïef bent om te denken dat hij het zichzelf zo heeft toegediend; natuurlijk is dit oraal (met tabletten) gegaan. Het is minstens netzo onnozel te roepen dat andere topwielrenners wel zonder hulpmiddelen tot exceptionele -vaak onmenselijke- prestaties in staat zijn. Of zouden die masseuses echt zo goed zijn, dat er nog wat extra endorfine aangemaakt wordt. Ik waag het te betwijfelen. Het hele professionele wielrennen -een sport waar ik dus actief liefhebber van ben- is één groot kat-en-muisspel tussen de wielrenners en de dopingcontroleurs.

Uiteindelijk zullen er altijd sporters zijn (niet alléén wielrenners dus) die de kortste weg naar de top willen bewandelen en daarbij niet nalaten om vals te spelen. Jullie geloven toch niet dat onze zwemmers, atlete (zonder -n) en schaatsers alleen op een paar borden pasta tot zulke uitzonderlijke prestaties komen. De enige “sport” waar doping volgens mij gestimuleerd wordt, is darts. Destijds dronk Barney al een paar baco’s om een beetje rustig te blijven bij het pijltjes gooien. Tegenwoordig zien ze er allemaal uit als kale halve malloten. Blijft wel een spannend kijkspelletje. Je hebt pas gewonnen als de laatste pijl op de juiste plek in het dartbord is verdwenen.

En eigenlijk moet ik zelf afentoe een beetje grinniken om sommige dopingaffaires; zeker als sporters en verzorgers heel creatief worden. In de wielrennerij moet je dan denken aan mechanische doping. Dat is echter nog maar zelden bewezen; best ingenieus dus.

In de spraakmakende documentaire Icarus zien we hoe Poetin (althans, ik denk dat hij ervan wist) de sporters uit z’n eigen land op zijn winterspelen in Sotsji -ik was erbij- wil laten schitteren. Door ’s-nachts flesjes met plas via een luikje te laten verwisselen (géén grap) voor schone urinemonsters konden Russische sporters vol aan de verboden spulletjes. Dit dopingprogramma heeft ervoor gezorgd dat we binnenkort in PyeongChang (bijna) géén Russische sporters zullen zien op de komende Winterspelen. Op dit moment is Noord-Korea met zijn hoofdstad Pyongyang overigens meer in het nieuws. Donald Trump en Kim Jong-un zijn hun carnivalsact vroeg gestart dit jaar. Zelden zo’n clowneske vertoning gezien als tussen die twee. Trump heeft Kim Jong-un bespot op Twitter. De Noord-Koreaanse leider had Trump kennelijk ‘oud’ genoemd. “Waarom doet hij dat nou?”, twitterde Trump beledigd. “Ik noem hem toch ook niet ‘klein en dik’?” Ik vraag me af, waar gaat dit over? Stel kleine kinderen…

Goed om te weten dat je endorfine trouwens ook schijnt te kunnen aanmaken met een lachbui. We hebben het dan wel over 10 minuten goed lachen. Je voelt je daarna “top”. Mensen (sorry, ik bedoel met name mannen!), misschien helpt het toch even om direct de gehele sketch van de Klisjeemannetjes weer eens te beluisteren. Lach ze!

Gokje

Aan het eind van het jaar word je altijd overstelpt met voorspellingen, ik noem het liever gokjes, maar dat zullen zichzelf benoemde experts in het voorspellen van de toekomst anders zien. Sommige dingen zie je gewoon aankomen, zoals dat Ajax-coach Marcel Keizer de Kerst niet zou halen.

Een erg geliefd onderwerp is natuurlijk altijd de ontwikkeling van de aandeelbeurzen. Overigens maar 27% van de Nederlandse bevolking waagt zijn vingers aan beleggen. Wij zijn als volkje veel meer spaarders. Dat levert op dit moment echter héél weinig op. Daarom gaan mensen dan toch weer risicovol beleggen of gokken (zoals op de bitcoin, daarover later meer). Vooralsnog zorgt dat voor steeds verder stijgende beurskoersen. De beurskenners die voorspellen dat de beurs volgend jaar weer gaat stijgen (dat is de laatste 6 jaar voor de AEX overigens sowieso het geval) hebben in mijn ogen net zoveel “kans” als diegene die een daling voorspellen. Eén ding is zeker bij iedere voorspellingen (of iets wel of niet gaat gebeuren), de helft zal gelijk krijgen, de andere helft niet, bij de volgende voorspelling zal de helft daarvan weer gelijk hebben etc. Er is aan het eind van de rit dus altijd iemand die wel 10 (of 100) keer achter elkaar iets goed heeft voorspeld. Vervolgens roep je dan dat je futuroloog bent.

Je kunt ook net als in de Amerikaanse TV serie “The Simpsons” gewoon heel veel dingen bedenken. “In the end” komen er dan zeker ook wat dingen uit. Toch is het in dit geval wel grappig om te zien welke dingen al “voorspeld” waren in deze TV-serie. In 2000 lieten zij Trump al president worden. Niet alleen de uitslag van de verkiezingen, maar ook de wijze waarop hij de trap afkwam en zijn speech hadden veel gelijkenissen. Er is een lijstje gemaakt van hun meest treffende “voorspellingen”.

Natuurlijk zijn dit geen echte voorspellingen, maar scenario’s of dingen die toevalligerwijs uitgekomen zijn. Door heel veel logische en/of realistische scenario’s te schrijven, bijvoorbeeld door te laten zien dat dingen maakbaar zijn, of dingen waarvan iedereen op z’n klompen kan aanvoelen dat die er ooit zullen komen.

Het wordt pas verontrustend als mensen die denken echt ergens verstand van te hebben, zoals onze nationale opiniepeiler (sinds mensheugenis voorspelt hij verkiezingsuitslagen) Maurice de Hond de milleniumbug voorziet. Hij voorspelde dat computers in de war zouden raken. Anderen dachten dat zelfs dat het licht zou uitvallen en kernraketten zouden misschien wel “vanzelf” opstijgen. Iedereen begon te hamsteren. Uiteindelijk gebeurde er niks en werkte alles op 1 januari 2000 prima. Aan de andere kant was het diezelfde De Hond de internet-revolutie voorzag. In 1995 vertelt hij bij Sonja Barend (zeg maar de Humberto Tan van vandaag) dat het leven er 10 jaar later totaal anders zou uitzien, omdat we alles online zouden kunnen bestellen. Daarover hoef ik verder niks meer te vertellen.

Ook aardig is om nog eens te kijken naar oude beelden van Chriet Titulaer, die dit jaar op drieënzeventig jarige is overleden. In de jaren 80 trok hij met zijn bijzondere Limburgse stemgeluid en markante baard in het TV programma “De wondere wereld” veel kijkers. Hij liet ons kennis maken met de laatste technische snufjes en deed veel voorspellingen over de toekomst. Hij werd de Nostradamus van de media genoemd. Er wordt nu gewerkt aan een ode voor deze man; je kunt zelfs stemmen op je favoriete fragment. Mijn favoriet is overigens die over toegang tot de skilift door gebruik van een skipas. Heb namelijk net ontdekt dat er in mijn favoriete skigebied een skipas is, genaamd “Ski Liberté”, die ervoor zorgt dat je alleen betaalt voor de dagen dat je daadwerkelijk skiet. Wist ik zelfs nog niet. Lijkt een beetje op de tolpas, die je kunt gebruiken op de Franse snelwegen. Deze skipas wordt overigens pas interessant als je meer dan 8 dagen skiet. Dat voornemen heb ik zeker dit jaar, de sneeuw is fantastisch.

Even terug naar de bitcoin; ongeveer het meest besproken “ding” dit jaar. Iedereen zal het erover eens zijn dat de bitcoin géén geld is. Het voldoet immers (nog) niet aan de drie functies van écht geld. Als eerste zou het een ruilmiddel moeten zijn. Je kunt op dit moment nog geen oliebol kopen met een bitcoin; misschien een met drugs gepoederde op het Dark Web (heb ervan gehoord, maar nog nooit bezocht). Ook de tweede functie als oppotmiddel is er niet. Je kunt geen bitcoins sparen, je krijgt er immers géén rente op. Je kunt ze natuurlijk wel van je spaargeld kopen, zoals de meeste mensen doen. Dat kan je beleggen noemen, net als bijvoorbeeld in goud. Tenslotte voldoet het niet aan de belangrijkste functie van geld, namelijk het zijn van een rekeneenheid. We drukken de waarde van bitcoins juist uit in euro’s of dollars (dat zijn dus wel rekeneenheden). Nu we weten dat bitcoins géén geld zijn, waarom kopen mensen deze en andere cryptomunten dan? Ik denk omdat mensen graag een gokje wagen; ze doen mee aan een spannend spel. Ik durf zelfs te zeggen aan een pyramidespel. Hierbij staan angst en hebberigheid centraal. De verleiding is groot omdat we horen van mensen, die enorme winsten zouden maken (ik ken ze niet). De grote winnaars zitten echter altijd in de top van de pyramide. Bij de bitcoin schijnt de verondersteld bedenker meneer (of mevrouw) Satoshi Nakamoto te zijn. Eerst zou het een Japanner zijn, maar recent dacht men even dat Elon Musk (de man achter Tesla) deze mysterieuze figuur was. Hij heeft dit echter ontkend. Als er geen nieuwe kopers van bitcoins meer bijkomen, zal de pyramide instorten. De dag waarop ik deze blog schrijf, viel de waarde alweer terug van $20.000 naar $13.000.

Cryptovaluta kunnen echter wel voor een monetaire revolutie gaan zorgen. Men zegt dat de blockchain-technologie erachter heel interessant is. Ben zelf echter nog steeds niet in staat om dat in een paar woorden uit te leggen; iets met digitaal uitwisselen van gegevens via een netwerk van computers. Ik ben er te nuchter voor en laat deze hype grotendeels aan me voorbijgaan. Heb wel een paar cryptomuntjes gekocht (Ethereum en Gulden), maar het doel daarvan was meer om het te gaan begrijpen, dan om er serieus in te beleggen. Na een paar dagen lukte het mij al niet meer om m’n wallet (soort elektrische portemonnee) te bereiken, dus vrees dat mijn muntjes al bijna “verloren” zijn, ondanks dat ze op papier flink in waarde zijn gestegen. Géén oliebollen dit jaar dus…

Toch durf ook ik wel een gewaagde uitspraak te doen in deze tijd van de Feestdagen. In Nederland gebeurt meer dan 80% procent van de auto-ongelukken met nuchtere mensen (dus niet beschonken). Dat is overigens ook gewoon statistisch bewezen. Dat het aantal auto-ongelukken afgelopen jaren weer is toegenomen -na lange tijd juist dalende te zijn geweest- wordt veroorzaakt door de sterke toename van smartphonegebruik in de auto. Het woord “appongeluk” is dan ook niet geheel verrassend net uitgeroepen tot het woord van het jaar. Ik voorzie dan ook -en jullie mogen het een voorspelling noemen!- dat binnen enkele jaren een maatregel genomen is om dit te beperken of zelfs te verbieden. Zo is het in Frankrijk vanaf komend jaar voor scholieren tussen 11 en 15 jaar verboden om hun telefoons te gebruiken; niet alleen in de les (dat is daar nu al verboden), maar ook gewoon overal op school. Denk dat hier thuis met drie kinderen in deze leeftijdscategorie een revolutie zou uitbreken. Blij dat ik alleen naar Frankrijk op vakantie ga en niet woon…

Wens iedereen natuurlijk een voorspoedig nieuwjaar en zou zeggen “waag eens een gokje”, misschien brengt het geluk!

Schaamteloos

We leven in een tijd waarin schaamteloosheid troef is. Het lijkt er soms op alsof we allemaal een bandeloos leven leiden tegenwoordig. Het woord kent “gelukkig” vele gedaanten. Dat laat ik graag zien aan de hand van wat voorbeelden uit het dagelijks leven.

Om te beginnen heeft bijna de helft van Nederland ook de afgelopen weken weer zonder schaamte -schaamteloos dus- gelogen over de Goedheiligman. Doen we dit wellicht omdat dit het enige typische Nederlandse feestje (naast Koningsdag) is, dat wij kennen. Moesten we altijd al net doen dat de Sint bestaat (soms met behulp van een Hulp-Sint), nu moeten we ook nog iets verzinnen op die Zwarte Pieten, die niet eens allemaal meer zwart mogen zijn. Doet me denken aan de blauwe smurfen van Vader Abraham (de Fluitsmurf begint…) totdat op een gegeven moment de hele familie om de hoek kwam kijken: Grote smurf, brilsmurf, lolsmurf, moppersmurf enzo verder. Gelukkig was er dan uiteindelijk ook Smurfin. Over emancipatie gesproken.

Zo gaat het nu ook met Zwarte Piet, als je een keertje naar het Sinterklaasjournaal hebt gekeken, komen ze allemaal voorbij: Hoofdpiet, Huispiet, Wellespiet (Nietespiet?), Pietje Precies, Boekpiet, Luisterpiet, Malle Pietje, Zielepiet en Vlogpiet. Je kunt zeggen dat het alleen maar “het in de maling nemen” is van je kinderen, maar we zijn er zelf ooit ook slachtoffer van geweest (#metoo). Die schijnheilige… Over onkuis -ook schaamteloos dus- gesproken, kijk nog maar eens naar deze Sinterklaas-sketch uit Jiskefet (nog steeds een Klassieker). Hans Teeuwen heeft trouwens het genre schaamteloze grappen bijna uitgevonden.

Heel schandelijk -écht schaamteloos dus- was de recente actie van de Radio 538 DJ Frank Dane. Hij is overigens de broer van die andere onbetamelijke -ook schaamteloze dus- grappenmaker Robert Jensen; jawel die met de slechtste sidekick allertijden Jan Paparazzi. Frank Dane liet een paar weken geleden in de 538 radiostudio tijdens een optreden van zangeres Maan (een kindersterretje die een aardig “moppie” kan zingen) een streaker wellustig -schaamteloos dus- met z’n blote pik voor haar neus dansen. Jullie zullen denken, dat dit een te slechte grap is om waar te zijn. Niet dus, zie hier de beelden. Gerucht gaat trouwens dat Gordon ‘m (laat even in het midden wat of wie) direct herkende. Over iemand gesproken zonder schaamtegevoel. Dane lijkt ermee weg te komen omdat hij daarna nogmaals met Maan het live op de radio heeft uitgepraat. Het arme meisje was natuurlijk bang dat niemand ooit meer haar plaatjes zou draaien. Muzikanten zijn blijkbaar nog steeds erg afhankelijk van het pluggen op de radio. Sommige dingen veranderen dus blijkbaar nooit.

Gelukkig zijn mijn eigen kinderen de “Sinterklaasleeftijd” al enige tijd voorbij. Met drie puberende tieners krijg je te maken met ongegeneerd -schaamteloos dus- liegen over allerlei zaken. Of het nu het ontkennen van thuis jatten van chocolade is, of de ongewenste bezoekjes aan de supermarkt voor fris en onfris (pinpassen verklappen veel), met het grootste gemak worden er mooie verhalen bij verzonnen. En dan hebben we het nog niet eens over het wel of niet gezoend hebben met vriendjes. Daar ontbreken totnutoe nog de bewijzen voor. Gelukkig maar, ik weet niet of ik daar al aan toe ben (waarschijnlijk is het al gebeurd)…

We herkennen deze dilemma’s allemaal (alléén van vroeger natuurlijk!). Waggelend en overal tegenaan botsend de trap op lopen en vervolgens bij hoog en laag beweren dat je echt niet teveel hebt gedronken. Een naar drank ruikende mond proberen te verhullen door een hele bus Mentos “Adje te trekken”. Dat laatste kan je ook lezen als een ontuchtige -dus schaamteloze- handeling, maar zo is het niet bedoeld.

Jullie zullen je ondertussen wel afvragen, waarom ik hier over dit soort bandeloze (schaamteloze dus) praktijken schrijf. De reden is dat ik zelf hier ook even zónder beleefde terughoudendheid -schaamteloos dus- reclame wil maken voor eigen parochie. Zoals tussen de regels al eens te lezen was, ben ik sinds deze zomer nauw betrokken geraakt bij de Spaghetteria’s. Dit is een nu nog kleine keten van pasta-restaurants. Afgelopen maand is de vijfde vestiging geopend in Amsterdam aan het Olympiaplein. Wat is hier zo bijzonder aan?

Twee jonge kerels met Italiaanse affiniteit hebben een échte Italiaanse pastabar weten te creëren met goeie Italiaanse koks en knappe jongens in de bediening. Zij gebruiken producten, die zij rechtstreeks uit Italië halen, onder andere het meel, waar zij zelf pasta’s en ravioli’s van maken in hun Laboratorio. Omdat in de Spaghetteria’s dagelijks slechts keuze is uit zes gerechten (wel regelmatig wisselend), is alles absoluut vers, maar belangrijker nog, er wordt niks weggegooid. Kortom: ook nog erg duurzaam.

Tenslotte zijn alle zaken heel sfeervol op z’n Italiaans ingericht, met grote tafels, waar je kunt aanschuiven (ook in je ééntje), met voldoende verlichting en bovenal aan het eind van de avond een espresso voor € 1,50 (cappuccino kan je niet bestellen, want die drinkt een Italiaan ’s-avonds niet). Het zijn dan ook de jonge Amsterdamse en Utrechtse (ook daar al één vestiging) hipsters, die de Spaghetteria’s flink omarmd hebben.

Precies, schaamteloosheid is ook mij niet vreemd, bon appetit (spaghetti alle vongole veraci)!

De Reünie

Tsja zo’n reünie, het blijft een bijzonder fenomeen. Waarom vindt een mens het leuk om na vele jaren -in dit geval 30 jaar- mensen waarmee je ooit iets gedeeld hebt -studieperiode aan Nyenrode- weer te zien? Vorig weekend had ik de “Homecoming” van mijn jaar 1987. Als één van de medeorganisatoren was ik al maanden vantevoren bezig met te bedenken hoe het zou zijn om al die lieden weer eens te zien. Door een sterk alumninetwerk en vindingen zoals “Feestboek”, waar ik zelf overigens wars van ben, hadden zich ruim 90 jaargenoten aangemeld. Een hoge opkomst.

Zou ik iedereen nog herkennen? Misschien was de vraag andersom meer terecht. Zouden zij deze beginnend grijzende, maar nog steeds behaarde, iets wat corpulente man, maar bovenal nog steeds jong van geest (zo’n jaartje studeren met 18 en 19 jarigen heeft wel geholpen!) wel herkennen? Het viel allemaal reuze mee…

Eerst had ik mijzelf maar eens de vraag gesteld, waarom een mens überhaupt de behoefte heeft aan zo’n reünie. Is het de nieuwsgierigheid, hoe mensen er ondertussen uitzien? Natuurlijk wel een beetje! De mannen zijn vaak iets kaler geworden of soms al een beetje tot behoorlijk grijs. De strak getrainde lichamen van toen (ahum) zijn deels verdwenen; het omgekeerde kan ook hebben we nu met eigen ogen kunnen zien. Interessanter (voor een man) is te zien hoe de dames zijn opgedroogd. Een positieve verrassing daargelaten zijn ook deze door de jaren getekend. En hoe erg is dat eigenlijk, we zijn allemaal precies dertig jaar ouder geworden. Het is veel droeviger om te realiseren dat dit niet voor iedereen geldt. Drie jaargenoten van ons zijn er helaas al niet meer -wiens overlijden wij bijzonder betreuren- en ook ernstige ziektes kloppen op de deur. Het is dan ook zeker niet alleen maar hosanna tijdens zo’n reünie, maar al gauw voeren de sterke verhalen van vroeger gelukkig de boventoon.

Willen we misschien weten hoe succesvol mensen zijn geworden? In de eerste jaren of beter gezegd decennia na de studie was dit waarschijnlijk nog een belangrijk ding. Volgens mij speelt dit voor mensen van gemiddeld bijna vijftig niet meer zo. Hoe mooi de vooruitzichten direct na het afronden van de studie ook waren en de carrières zich met komeetsnelheid ontwikkelden, ondertussen lijkt bij de meesten het moment van acceptatie dat niet iedereen aan de top kan verschijnen te zijn ingetreden. Althans zo denk ik er zelf over. Het is nu voor velen belangrijker om gezond te zijn, vaak met een gezinnetje en in alle gevallen een fijn leven te hebben. Die uitdaging is naast de “ultieme” job al groot genoeg. Toch willen we graag horen wat mensen zijn gaan doen en wat hun op dit moment zoal bezighoudt. Zo waren er deze avond mooie verhalen: “van fotograaf tot minister” en “van boer tot kasteelheer” (in hetzelfde genre als “van koektent tot president”). We weten nu hoe sommigen hun eerste centen verdienden, en hoe anderen een lang gekoesterde droom in vervulling hebben zien gaan.

Wat maakte Nyenrode eigenlijk zo bijzonder? Je leefde met bijna 600 studenten samen op de campus, je deelde met elkaar een kamer en at dagelijks 3 keer met elkaar in de mensa. Dit smeedde een hele hechte band. En natuurlijk, de excessen waren van alle tijden. Ik heb me daar niet aan kunnen onttrekken. Daarvoor was er de campusraad (“interne rechtspraak”), die bepaalde op welke wijze je gestraft werd. Alles bleef echter binnenshuis, géén internet (lees: géén publiciteit) en dus ook géén eeuwige “schade”. Je kon fouten maken, maar je ook weer herpakken. Ook de bangalijstjes (“claimsysteem”) bestonden al en in de Nyenroddel werden alle escapades ruim uitgemeten. Zijn we daar allemaal slechter van geworden? Nee zeker niet, het zorgde er bij mij in ieder geval voor dat ik als jong broekie van de middelbare school werd gevormd en aan die periode heel veel mooie en positieve herinneringen bewaar. Omdat Nyenrode slechts een driejarige opleiding was, wilde ik dat gevoel nog even vasthouden, waardoor ik nog een tweede studie in Groningen ben gaan doen. Studeren was toen nog dat ultieme vrije gevoel; precies het element dat ik vorig jaar tijdens m’n studie 3.0 een beetje miste.

Ons jaar (1987) van circa 160 studenten kende in ieder geval een grote verscheidenheid aan figuren, die hun vrijheid tegemoet gingen. Waar dat destijds tot veel plezier, maar zeker ook tot evenzoveel wrijving leidde, lijkt iedereen nu voor even dikke vrienden van elkaar te zijn. Na zoveel jaar zijn de scherpe kantjes er bij (bijna) iedereen wel vanaf. Toen kon je je nog druk maken over elkaars doen en laten. Zo was het nooit makkelijk als meerdere mensen hetzelfde jongetje of meisje beminden, of viel de consumptie van grote hoeveelheden bier of andere victualiën bij de één beter dan bij de ander. We hadden allemaal onze merites, sommigen zelfs wat meer dan een ander. Ik spreek hier voor mijzelf. Waar de zelfreflectie destijds bij mij ver te zoeken was, heb ook ik later nog iets geleerd. Het oordeel hierover is uiteraard aan anderen en niet aan mij.

Zoals gezegd waande ik mij vorige week weer even 30 jaar terug in de tijd. Ik mocht in de bar van Kasteeltaveerne “Int Moede Hooft” weer de drankjes schenken en de muziekjes draaien. We dronken hetzelfde ranzige bier uit dezelfde ranzige glazen als toen. Ik stond weer met m’n poten in centimeters bier en drab (schoenen konden direct bij grofvuil). En zelfs de liederen van toen “In café De koperen pul” enzo werden weer uit volle borst meegezongen. Waar vroeger nog de muziek via cassettebandjes ten gehore werd gebracht… Misschien goed voor de jongere lezers van mijn blog (ik weet dat die er zijn) even een link naar een plaatje hiervan.

Nu kon alle muziek gelukkig uit een computer (met Spotify!) tevoorschijn worden getoverd. Dus werden er klassiekers gedraaid als “Even aan m’n moeder vragen“, “Black Betty” en “You and me”, maar natuurlijk ook de moderne hits, waar onze kinderen nu uit hun dak op gaan, “Krantenwijk” en “Leef“. Zo is in dertig jaar tijd Hazes altijd nog een beetje bij ons gebleven.

Wat mij betreft doen we dit over 20 jaar nog eens over. Liever had ik gezegd 30 jaar, maar we moeten wel realistisch blijven; we worden allemaal écht een dagje ouder. Ik zeg dan ook: “zie jullie hopelijk allemaal weer in 2037!”