Beroepsdeformatie

Hoewel de definitie in het woordenboek waarschijnlijk anders zal zijn, zie ik dit als het fenomeen dat je je gaat gedragen naar gelijkgestemden. Je zou kunnen zeggen dat je omgeving een vormende werking heeft. In ons taalgebruik hangt er een negatieve connotatie aan het woord, maar is dit wel terecht. Je zou wellicht ook kunnen spreken van beroepsformatie.

Ik merk in ieder geval dat ik er zelf ook gevoelig voor ben. Zo ben ik absoluut beïnvloed door m’n recente rechtenstudie-periode, en in het bijzonder m’n interesse in het strafrecht. Ik volg tegenwoordig strafzaken via twitter. Verfrissend is de wijze waarop de Telegraaf Rechtbankverslaggever, Saskia Belleman, dit op uiterst secure wijze doet. Zo volgde ik via haar afgelopen week het hoger beroep (bij het Hof) in de Doodrijder A2 zaak. U weet wel, de zaak van de man, die onder invloed van drugs, ’s-ochtends met bijna 230 km/uur inreed op de auto van een gezin, waarvan de vader om het leven kwam en vijf mensen gewond raakten. De kinderen zijn voor de rest van hun leven gehandicapt. Ik schreef hier uitgebreid over in mijn blog “De feiten“.

De verdachte wordt verdedigd door de bekende strafpleiter Gerard Spong. Je kunt veel van de man vinden (sinds dit jaar weten we bijvoorbeeld dat hij ook een zoon heeft; ra, ra hoe doet-ie dat?), maar dat hij z’n vak goed verstaat, durf ik wel te zeggen. Z’n boek “De uitvaartbezorger” -fictie, maar geïnspireerd door een bestaand dossier- heb ik deze zomer dan ook in één adem uitgelezen. De uitvaartverzorger wordt verdacht van moord op z’n vrouw. Hij zou haar in 1995 bewust met een auto de haven ingereden hebben en laten verdrinken. Het boek is gebaseerd op dit waar gebeurde verhaal. Spong beschrijft het mysterieuze proces, zoals hij het zelf noemt, van de vorming van de rechterlijke overtuiging over de schuld of onschuld van een verdachte. Formeel mag deze overtuiging uitsluitend op wettig bewijsmateriaal gebaseerd zijn. Maar werkt het ook altijd zo? Een fascinerende zaak, waarin Spong uiteindelijk vrijspraak voor de verdachte verkrijgt.

Hij trekt overigens ook weleens aan het kortste eind. De verdachte van de moord op z’n eigen nichtje Vivica (Spong) is namelijk vrijgesproken. Voor wie deze zaak misschien niet kent. Vivica was hoogzwanger en werd in 2012 op een zomerse dag dood onderaan de trap gevonden. Justitie verdacht haar vriend Mark van D. vanwege allerlei tegenstrijdige verklaringen over haar dood. Hier vind je een reconstructie. Hij is in 2016 definitief vrijgesproken. De nabestaanden proberen nu alsnog via de burgerlijke rechter hun gelijk te krijgen om een schadevergoeding te kunnen eisen.

Nu is Spong ook de advocaat die Neil van der L. (de “Doodrijder A2”) verdedigt. In eerste aanleg bij de Rechtbank is de veroordeling beperkt gebleven tot drie jaar onvoorwaardelijke celstraf en vier jaar rijontzegging (er was door het OM acht jaar geëist). Nu in hoger beroep heeft het OM zes jaar cel geëist. Het OM was het niet eens met de rechter, die oordeelde dat er geen sprake is van zogeheten voorwaardelijke opzet. De verdachte heeft volgens justitie namelijk het risico genomen dat er een botsing met een mogelijk dodelijke afloop kon plaatsvinden. Hij bleef, bleek uit onderzoek, ook vol gas geven. In mijn blog “Roekeloos” heb ik aangegeven dat ik vind dat aan bepaalde gedragingen (“objectief” te benoemen) direct een bepaalde strafmaat verbonden zou moeten worden. Dit en andere zaken laten mij niet meer los.

Zo heb ik ook alles gevolgd en gelezen over de Deventer Moordzaak; u weet wel de moord op weduwe Wittenberg in 1999, waarvoor Ernest Louwes een celstraf van twaalf jaar heeft uitgezeten. Nog steeds zijn er mogelijk nieuwe ontwikkelingen in deze zaak. Aan de wijze, waarop ik dit aan het papier toevertrouw, is af te leiden hoe ik over de (on)schuld van Louwes denk. Ik refereerde hier ook al aan in mijn blog “Dwaling”.

Niet eerder heb ik de zaak van Maddie McCann genoemd; het meisje dat iets meer dan tien jaar geleden uit het vakantieappartement, waar ze met haar ouders verbleef, is verdwenen. Vanaf het begin heb ik de reactie van de ouders (beide arts), die vanaf de eerste seconde grootschalige media-aandacht vroegen, vreemd gevonden. Later bleek dat de ouders hun kinderen regelmatig een slaapmiddel gaven om zelf rustig avondje uit eten te kunnen. Misschien hebben zij per ongeluk een keertje iets teveel gegeven? Ook in deze zaak doen nog steeds verschillende theorieën de ronde.

Voor diegene, die tijdens dit soort herfstige dagen afentoe een verloren uurtje heeft, kan ik de serie Bloodline op Netflix aanbevelen. Over verdwijningen en intriges gesproken; de familie Rayburn blijft niks bespaard. In het derde seizoen zijn afleveringen 29 en 30 (jawel, er is “kijkwerk” aan de winkel) ijzersterk als het gaat om de rol van de advocaat in de rechtszaal.

Waarom vind ik dit allemaal zo interessant? Van echte beroepsdeformatie kan hier géén sprake zijn, want strafrechtadvocaat zal ik voorlopig niet worden (ik zeg niet
“nooit”). Bij mij werkt het -lijkt wel- omgekeerd. Eerst de “deformatie” en dan pas het passende beroep erbij vinden. Ik blijf zoeken!

De feiten

Tegenwoordig vragen vrienden vaak aan mij wat ik van een bepaalde uitspraak vind. Als jurist (in spé) heb ik in korte tijd al geleerd dat je je antwoord moet beginnen met: “Ik ken niet alle feiten”.

Wellicht denk je daarbij direct aan een te voorzichtige jurist, die niks durft te zeggen uit angst voor het “verkeerde” beweren, maar niks is minder waar… Vaak heeft een buitenstaander maar beperkte dossierkennis. Ook journalisten baseren hun stemming makende berichtgeving regelmatig op gebrekkige informatie en geven daardoor een onvolledig beeld. Iets is pas nieuws als het afwijkt van het normale, dus (straf-) zaken worden vaak breed uitgemeten in de media.

Recentelijk was er veel aandacht voor de “Doodrijder A2”, de 46-jarige Neil van der L. uit Amsterdam. U weet wel, de man die ’s-ochtends -met nog een behoorlijke hoeveelheid drugs in z’n lichaam- in een krankzinnige dodemansrit met ruim 200 km/uur ter hoogte van Maarssen crashte op een auto met daarin een (samengesteld) gezin van zeven personen. Ze waren onderweg naar wat ze dachten een vrolijk dagje Efteling zou worden. Vreselijk genoeg is de vader hierbij overleden en een aantal kinderen heeft blijvend letsel opgelopen.

De dader is hiervoor in eerste aanleg (dat wil zeggen bij de Rechtbank) op basis van “dood door schuld” veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en een rijontzegging van vier jaar. Dit is op het eerste oog een milde straf en zeker géén genoegdoening voor de nabestaanden gebleken. In deze zaak heb ik mij (studiematig) verdiept. Ons rechtssysteem (in het bijzonder het Wetboek van Strafrecht) kent een “menukaart” met betrekking tot de maximaal op te leggen straffen. In de Wegenverkeerswet 1994 wordt een en ander nog nader gepreciseerd voor zover het zaken in het verkeer betreft.

In dit geval is het van belang of er sprake is van voorwaardelijke opzet of bewuste schuld. Voorwaardelijk opzet is de “lichtste” vorm van opzet. Het wil zeggen dat de dader geen opzet heeft op het doden van iemand, maar dat het hem niets uitmaakt als dat wel gebeurt bij zijn actie. Hij wilde zijn actie uitvoeren, wist dat er een aanmerkelijke kans was dat het verkeerd zou aflopen en aanvaardde die kans.

Ergens tussen voorwaardelijk opzet en bewuste schuld in wordt opzet in schuld veranderd en doodslag of moord in “dood door schuld”. Bewuste schuld is aan de orde wanneer de dader wist dat er een kans was dat het verkeerd zou gaan, maar dacht dat dat toch niet zou gebeuren. Zo is hier door de rechter geoordeeld.

Tsja, zolang je niet in iemands hoofd kan kijken, is deze “nuance” moeilijk te maken. Er is echter nog een gradatie, die op de scheidslijn van opzet en schuld ligt, te weten “schuld door roekeloosheid”. Naar mijn mening kan de verdachte daarvoor in casu veroordeeld worden. De maximum gevangenisstraf voor roekeloosheid bedraagt 6 jaar (bij een dodelijk verkeersongeval), welke in geval van rijden onder invloed (geldt ook voor drugs) nog eens met de helft verhoogd kan worden.

Zowel het Openbaar Ministerie als ook de verdediging (bij monde van mr Spong) zijn in hoger beroep gegaan in deze zaak, die dus sowieso een vervolg krijgt. Na een uitspraak van het Hof kunnen partijen nog in cassatie gaan bij de Hoge Raad. Ongetwijfeld zal dit nog een flink staartje krijgen.

Dichter bij huis dan het strafrecht -althans dat hoop ik voor alle lezers- ligt het aansprakelijkheidsrecht.  Zo is het interessant om te weten waar de aansprakelijkheid ligt voor onze (jonge) kinderen. De wet heeft daar een aantal leeftijdsgrenzen gesteld met bijzondere voorwaarden voor aansprakelijkheid. Een kind tot 14 jaar kan volgens de wet nooit een onrechtmatige daad worden toegerekend. Wel kunnen de ouders in zo’n geval aansprakelijk zijn voor schade, die door hun kind is veroorzaakt. Iets anders is het voor kinderen van 14 en 15 jaar (je kunt je afvragen, waarom de grens precies daar ligt). Hiervoor geldt dat kinderen zelf een onrechtmatige daad kan worden toegerekend, maar ook hier kunnen de ouders aansprakelijk zijn, tenzij hun niet kan worden verweten dat zij de gedraging niet hebben belet. Mag duidelijk zijn dat je kinderen van deze leeftijd niet continu huisarrest kan geven, dus er zal weleens iets “goed” misgaan. Bij kinderen vanaf 16 jaar staat de eigen onrechtmatige daad voorop.

Een ander apart geval is de aansprakelijkheid voor dieren, in het bijzonder paarden. Die kunnen rare sprongen maken. In de wet staat dit mooi omschreven als “het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het daarin opgesloten onberekenbare element”. Aangezien je moeilijk het paard aansprakelijk kan stellen, is de paardeneigenaar zelf meestal het “haasje”.

Maak me dan ook beetje zorgen over m’n vijftienjarige dochter met haar eigen paard, waarmee ze regelmatig de openbare weg op gaat; dat mag zij met haar ruiterbewijs. Gelukkig gaat de tijd snel en is ze zo volwassen (lees: 18 jaar). Dat is een feit, om heel precies te zijn zelfs een “bloot rechtsfeit”.*


*Feit waaraan rechtsgevolgen worden verbonden zonder dat van een actieve gedraging sprake is (bijv. geboorte, overlijden, meerderjarigheid).