Dwaling

Gerechtelijke dwalingen komen vaker voor dan je denkt. In Nederland is er een aantal bekende zaken: de zaken-De Berk en -Ina Post, de Puttense moordzaak, de Schiedammer parkmoord en de Showbizzmoord. Regelmatig zitten er dus mensen jarenlang onschuldig vast.

Naast al het werk op dit gebied van onze nationale speurneus Peter R. de Vries -hij speelde onder andere cruciale rol in de Puttense moordzaak, waar hij gedurende acht jaar in bijna veertig TV uitzendingen aandacht schonk met het bekende resultaat, vrijspraak voor de veroordeelden- wordt er ook op meer wetenschappelijke manier naar gekeken.

Recent heeft de heer Ton Derksen hier een interessant boek over geschreven, waar niet iedereen (lees: OM en rechters) blij mee is. Derksen is emeritus hoogleraar wetenschapsfilosofie en schreef in 2006 het boek “Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling”, dat mede leidde tot een herziening van de veroordeling van Lucia de Berk wegens meervoudige moord en haar vrijlating in 2010. Hierna raakte hij betrokken bij andere herzieningsverzoeken, waarover hij nog diverse boeken schreef.

Zo denken wij weleens minachtend over het Amerikaanse jury systeem, maar we realiseren ons niet dat onze eigen rechtssysteem eerder uitzonderlijk is. Zo hebben in West-Europa heel veel landen jury’s, waaronder beschaafde landen als Denemarken, Noorwegen, Zweden, België, Zwitserland, Engeland, Wales, Portugal, Spanje en Ierland. Dan zijn er ook landen, die een meerderheid van leken betrekken bij hun rechtbanken, zoals Duitsland, Frankrijk, Finland en Italië. Nederland is dan ook uniek te noemen met louter professionele rechters. Kan je het als democratisch land eigenlijk wel rechtvaardigen om het in de rechtspraak zonder de stem van het volk te stellen? Uit Amerikaanse onderzoeken blijkt dat jury’s niet méér fouten bij veroordelingen maken dan rechters.

Waarom gaat het bij rechters regelmatig volledig mis? Foutloze systemen bestaan nergens, net zomin als feilloos opererende politiemensen, officieren of rechters. Is het dan onkunde, domheid of kwade trouw? Met name bij ernstige misdrijven zoals moord of zedendelicten zien wij natuurlijk niet graag dat de mogelijke dader later nog vrij rondloopt. Er is justitie in dat soorten zaken veel aan gelegen om iemand te veroordelen. Een belangrijk element daarbij is het “primacy effect”; wat als eerste binnenkomt, heeft een groot effect op hoe we navolgende dingen beoordelen. Uit het dagelijkse leven weten we hoezeer “eerste indrukken” blijven hangen. In de Nederlandse rechtspraak leidt de volgorde waarin de rechter wordt geïnformeerd – eerst het dossier dan de officier –ertoe dat belastend bewijsmateriaal serieuzer wordt genomen.

Derksen zegt hierover: “Het verschil tussen passend bewijs en discriminerend bewijs is feitelijk onbekend in de strafrechtpraktijk. Om discriminerend bewijs te vinden moet er echt gezocht worden naar potentieel ontlastende informatie – en daar heeft de politie een ingebakken afkeer van. Discriminerend bewijs maakt het waarschijnlijker dat het ene is gebeurd en juist niet het andere. Met ‘passend bewijs’ kun je twee kanten op– dus ook naar schuldig, wat veel beter uitkomt als je de schuldige al denkt te hebben.”

Een zaak die mij in dit kader vanaf het begin enorm geïntrigeerd heeft is de Deventer Moordzaak, de naam die gegeven is aan de rechtszaak na de moord op de weduwe Wittenberg in 1999 te Deventer, een van de langst lopende zaken uit de geschiedenis van het Nederlandse strafrecht. De vraag die altijd centraal heeft gestaan is of hier sprake is geweest van een justitiële dwaling met betrekking tot het bewijsmateriaal op grond waarvan de veronderstelde dader, Ernest Louwes, in aantal fases (in eerste instantie vrijgesproken, in hoger beroep veroordeeld, ook na herziening) is veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf. Louwes is in 2009 na het uitzitten van 2/3 van zijn straf (“vervroegde invrijheidstelling” is in NL gewoonte) vrijgekomen.

Hoewel ik géén groot fan ben van de wijze, waarop de bekende opiniepeiler Maurice de Hond, ook de man die ons deed geloven dat wereld zou vergaan bij de millenniumwissel, met veel “lawaai” (géén onschuldigen vast!) deze zaak onder de aandacht heeft gebracht, zit ik wel op zijn lijn; namelijk ook ik geloof in de onschuld van Louwes en de gerede verdenking tegen Michaël de Jong, de klusjesman.

Het belangrijkste bewijsmateriaal tegen Louwes was zijn DNA op de blouse van weduwe Wittenberg. Deze vondst werd overigens pas vier jaar (!) later gedaan. Nu lijkt het met nieuwe DNA technieken alleen maar makkelijker om misdrijven te bewijzen (lees: dat er minder fouten worden gemaakt bij veroordelingen), maar dat is een misvatting. Juist door de verfijning van de DNA technieken is er voor een goed DNA profiel zo weinig DNA vereist dat het DNA van de verdachte -op de plaats delict- niet altijd misdaadgerelateerd hoeft te zijn. Dit vormt een bron van nieuwe fouten. Dat Louwes, als boekhouder, die ochtend bij de weduwe Wittenberg op bezoek is geweest, heeft hij nooit ontkend… Kortom: Zorg dat u een goed alibi heeft!