Talent

Talent lijkt het toverwoord te zijn. Of we nu denken dat ons kind de nieuwe Frenkie de Jong is (er zijn genoeg vaders langs de voetbalvelden, die het denken), of de nieuwe Einstein (voldoende kids met een wiskundeknobbel)…

Tuurlijk is het fijn als iemand tegen je zegt dat je talent hebt voor iets. Zo voelde ik mijzelf ook gevleid toen ik laatst hoorde dat ik geschikt zou zijn als mediator (bemiddelaar). Sinds gisteren is dat overigens een feit; geslaagd voor het laatste examen, een live assessment. Nu mag ik mij officieel MfN registermediator noemen. Jullie mogen me bellen.

Maar waar hebben we het bij talent nu precies over? Is talent aangeboren of aangeleerd? Als we weer eens de Dikke van Dale erbij pakken, dan lezen we de volgende definitie: natuurlijke begaafdheid, iemand met veel aanleg. Taalkundig wordt talent dus gezien als aangeboren.

Wetenschappers zijn het hier echter (nog) niet over eens. De discussie tussen ‘nature’ of ‘nurture’ woedt al decennialang voort. Op z’n Nederlands gezegd: “Zit het in de genen, of ligt het aan de opvoeding?” De vraag is of we wel zo ‘zwart-wit’ moeten willen denken. Er zijn ondertussen talloze onderzoeken, die aantonen dat omgevingsfactoren wel degelijk ook bepalend zijn. In een grootscheeps onderzoek op IJsland werd aangetoond dat de leerprestaties van kinderen niet alleen worden bepaald door genen, die ze van hun ouders krijgen, maar ook door genen die ze níet krijgen. De conclusie is dat het in eerste aanleg gaat om aanleg, en de laatste is omgeving. Alles wat daar tussenin zit wordt ‘genetic nurture’ genoemd. Het gaat niet om je eigen genen, maar om je genetische achtergrond. Erfelijkheid is géén natuurlijk gegeven, maar afhankelijk van omgevingsfactoren. Intelligentie is in rijke landen meer erfelijk bepaald dan in arme. Dat komt omdat in rijke landen vrijwel iedereen voldoende te eten, goede zorg en gezonde leefomstandigheden. Dat zijn precies de factoren, die in arme landen het verschil tussen mensen kunnen maken.

Recentelijk heb ik dan ook met fascinatie naar de documentaire ‘Three identical strangers’ zitten kijken. Het is het bizarre verhaal van drie identieke broers, die gescheiden opgroeien en twintig jaar later bij toeval worden herenigd. Wanneer de ene broer (Robert) begin jaren tachtig nietsvermoedend zijn nieuwe school binnenloopt, wordt hij daar door een klasgenoot voor volstrekt iemand anders aangezien. Niet zo vreemd, want op diezelfde school blijkt zijn identieke tweelingbroer (Edward – what’s in the name?) rond te hebben lopen. Wanneer het verhaal de media haalt, blijkt er ook nog een derde broer (David) in het spel. En dat terwijl geen van de broers überhaupt van elkaars bestaan afwist. Ze krijgen als jongens van 19 jaar zelfs een klein rolletje in de film ‘Desperately Seeking Susan’. Jawel, de debuutfilm van een toen écht nog jonge Madonna. Zij ziet er voor haar leeftijd (61 ondertussen) nog ‘verdacht’ goed uit. Dat zit bij haar niet in de genen, maar in de ‘hulpmiddelen’. Verder zal ik niks ‘spoilen’ over deze documentaire. Kijken is de moeite waard, zie hier de trailer.

Ook het gedachtengoed van de beroemdste Nederlandse neurobioloog Dick Swaab is in dit kader interessant. Hij stelt dat bij de geboorte van een mens zijn/haar mogelijkheden en beperkingen al onwrikbaar vastliggen. Slechts in de allereerste kinderjaren valt nog iets te sleutelen aan de bouw van de hersenen. Het komt er eigenlijk op neer dat “als je voor een dubbeltje geboren bent, je nooit een kwartje zult worden”.

Wil jonge ouders verder niet ontmoedigen, maar uit recente studie (verschenen in het vakblad ‘Behavior Genetics’) is gebleken dat ‘brave kinderen hebben’ géén grote verdienste is van de ouders, die systematisch goed gedrag belonen en dus zouden versterken. Er blijkt namelijk een belangrijke genetische component in te zitten. Kinderen kunnen uit zichzelf braaf zijn, zonder dat ze het hoeven te worden. Toch erfelijk dus, maar niet alles bepalend. Genen zorgen voor het potentieel om zich op een bepaalde manier te gedragen, maar kinderen  kunnen beslissen  het anders te doen onder druk van ervaringen of omgevingsfactoren. ‘Opvoeding is vaak niet meer dan vermomde genetica’ luidt de titel van het artikel, waarin ik dit alles las.

Tsja, dat maakt het allemaal niet makkelijker. Met ondertussen nog steeds twee pubers hier thuis – de oudste is uitgevlogen – proberen wij te blijven praten met onze meiden én grenzen te stellen. Er zijn hele boekenkasten volgeschreven over pubers. Je vindt overal tips.

Terug naar mijn eigen talent (-en). Welke dan? Natuurlijk kan je ook goed ergens in zijn of worden zonder talent. Je bent dan gewoon een ‘expert’ die door iets heel vaak te doen of te trainen ergens goed in is geworden. Over de vele uurtjes, die ik in het edele schaakspel heb gestoken, vertelde ik al eens. Ben bang dat het toch onvoldoende was voor een serieuze schaakcarrière. Ik schreef eerder over de 10.000 uren regel. Oefening is wel degelijk lonend, maar niet alles bepalend.

Zelf schaar ik mij achter het idee dat het een combinatie is van erfelijkheid en omgevingsfactoren. Erfelijke aanleg zorgt waarschijnlijk voor de grenzen van wat haalbaar is. Verder is het gewoon ‘oefening baart kunst’. Kortom: een mens moet zich blijven ontwikkelen. Leren doe je je hele leven…

Genen of opvoeding? Goethe schijnt het ooit mooi gezegd te hebben: “Behandel iemand zoals hij is en hij zal zo blijven. Behandel iemand zoals hij kan zijn en hij zal zo worden”.

Schaakmat

Voordat jullie denken dat mijn sportieve bestaan niet verder komt dan kilometers maken op een racefiets, dan heb ik voor velen – niet iedereen – een verrassing. Ik ben al sinds jongs af aan een verwoed schaker. Hoe is dat ooit begonnen?

Een oude buurman in de flat, waar ik als klein kind woonde, had mij het boekje ‘Oom Jan leert zijn neefje schaken’ gegeven. Het boekje is al 75 jaar in druk zag ik, en hoe kan het ook anders, geschreven door de eerste Nederlandse wereldkampioen Dr. Max Euwe. Voor de jongere generatie lezers misschien beter bekend van dat pleintje vlakbij het Leidse Plein of de toerist die op zoek is naar het Hard Rock Café (“and all I got was this louzy T-shirt”) in Amsterdam.

Ik leerde met dat boekje in de hand de regels van het edele schaakspel. Pin me er niet op vast, maar ik denk dat ik zo’n 8 jaar was. Schaken is natuurlijk helemaal niet stoer voor een klein mannetje, maar ik was direct gegrepen door dit fascinerende spel. Zo werd ik lid van de lokale schaakclub (in Leiderdorp) en speelde daar wekelijks op de jeugdavond m’n potjes schaak. Kreeg op een gegeven moment voor m’n verjaardag zelfs een heuse schaakcomputer, die ik gelukkig na enige tijd al de baas was. Hij maakte trouwens hele bijzondere piepjes bij het neerzetten van de stukken. Dat moest je vrij stevig doen – een touchscreen had toen nog nooit iemand van gehoord – anders accepteerde de computer de zet niet…

Eindeloos werd er ook met vriendjes geschaakt, hele middagen lang. Meestal potjes snelschaken, vliegensvlug zetten doen om dan heel hard en vooral zo snel mogelijk op de ‘Garde’ schaakklok, die nog van echt hout was, te slaan. Al dit soort mooie momenten, waarin je samen met iemand op het scherpst van snede een bordspel speelde, zijn verloren gegaan aan eindeloze computerspelletjes, waar de jeugd van tegenwoordig zich meestal in eenzaamheid compleet aan heeft overgegeven. Hoe jammer is dat… Het is mij helaas ook niet gelukt om mijn eigen dochters écht aan het schaken te krijgen. Dat vind ik een grote misser van mijzelf en dus nog veel spijtiger.

Ik bleef zelfs in m’n middelbare school tijd geïnteresseerd in het schaakspel. Moest dat natuurlijk wel een beetje verbergen om niet tot de allergrootste nerd van de klas gebombardeerd te worden. Ik hockeyde gelukkig ook nog vrij fanatiek. Ging zelfs naar alle hockey-feesten; daarover binnenkort zeker meer. Mijn adoratie voor het schaakspel bleef echter niet helemaal onopgemerkt in de klas. We zitten ondertussen ergens begin jaren 80. Ik had op een ouderwetse briefkaart (jawel, zo’n ding met een vooraf gedrukte postzegel) aan het radioprogramma ‘Heb je een wens? Vraag het de VARA!’ de eeuwig gekoesterde wens gestuurd om eens tegen de wereldkampioen te mogen schaken. Ik dacht daar wel aan toe te zijn na al mijn gewonnen partijtjes tegen de lokale grootheden. Op een gegeven moment werd ik door de conciërge uit de klas geplukt. Of ik in het conciërgehok aan de telefoon wilde komen. Daar had ik ineens ‘live’ in de radio-uitzending Jack Spijkerman aan de lijn (hij presenteerde dat in z’n jonge jaren). Of ik tijdens het Interpolis Schaaktoernooi (in Tilburg), destijds één van de meest prestigieuze schaaktoernooi ter wereld, een potje schaak wilde spelen tegen de regerende wereldkampioen van destijds Anatoli Karpov. De tijden van Garri Kasparov moesten nog komen. Het was juist Victor Kortsjnoj – de naar het westen overgelopen Rus –  die in deze jaren zorgde voor zeer beladen matches voor het wereldkampioenschap. De meest bijzondere werd gespeeld in Baguio (1978). Destijds werd er gespeeld om 6 winstpartijen, waarbij remises niet meetelden. Nadat Karpov de 27e partij had gewonnen leidde hij met 5–2 en leek een afgetekende overwinning nabij. Van de volgende vier partijen won Kortsjnoj er echter drie, waarna het 5–5 stond. Karpov hervond zich en won de 32e partij. Deze oude beelden geven een mooi inkijkje in de wereld van topschakers toen.

Ik reisde dus enkele dagen later af naar Tilburg en mocht in de analyse-ruimte een potje tegen de wereldkampioen te spelen. Er is natuurlijk een foto van, maar deze kon na ruim 35 jaar niet meer vinden. De afloop van het spel tegen Karpov liet zich raden. In snel tempo werd ik van het bord geveegd; ik heb het over binnen enkele minuten, nog net géén seconden.

Mijn ‘moments of fame’ op het schaakbord kwamen daarna nog. Als 14-jarig jongetje werd ik kampioen van de Leidse Schaakbond. Ik had mij daarmee gekwalificeerd voor het Nederlands kampioenschap (tot 20 jaar). Nu moet ik eerlijk zijn dat de beste twee Nederlandse (jeugd-) schakers van dat moment, de broertjes Marcel en Jeroen Piket, niet mee hoefden te doen aan deze (lokale) voorronden. Zij waren automatisch geplaatst voor de finale. Marcel Piket was namelijk regerend Nederlands Jeugdkampioen. In de eerste ronde moest ik direct tegen hem spelen. Mijn partij kwam op Teletekst (we zitten ver voor het internettijdperk); dat zal ik niet snel vergeten. Ik speelde een hele solide partij en miste een mooie kans op voordeel, waarmee ik wellicht had kunnen winnen. De partij werd in gelijke stand na 40 zetten afgebroken; zo ging dat toen nog als een partij te lang kon gaan duren. Tegenwoordig wordt er altijd met extra tijd doorgespeeld tot het afgelopen is. De volgende dag moest ik mijn partij uitspelen. Het was toen binnen een paar zetten afgelopen. Zijn secondanten (lees: meegereisde team van goede schakers) hadden alle mogelijke zetten en daaruit voortvloeiende stellingen compleet geanalyseerd, zodat Marcel het karwei tegen mij kon afmaken. Ook hier laat de afloop zich raden, ik eindigde in dit kampioenschap één na laatste (geloof van 18 deelnemers) en Jeroen Piket (jongere broer van Marcel) werd kampioen. Toch is het meedoen aan dit Nationale Kampioenschap een blijvende herinnering. Ook zal ik niet snel vergeten dat ik eens tijdens een regionaal toernooi een drie jaar jonger (maar wel getalenteerd) jochie versloeg en daarmee het toernooi won. Dat jochie is later één van de beste Nederlandse schakers ooit geworden, te weten Loek van Wely. Hij werd zeven keer Nederlands kampioen, waarvan de laatste keer in 2014. Ik kan me de beginzetten van die partij tegen Van Wely zelfs nog herinneren. Een scherpe Siciliaanse partij, waarin ik met de witte stukken speelde met als tweede zet pion c3. Die variant speel ik vandaag de dag nog steeds.

Sinds je op je computer (tegenwoordig ook op smartphone) kunt schaken tegen andere mensen op de wereld, speel ik met enige regelmaat een spelletje op Chess.com (meestal via hun app). Ik ben alleen niet meer zo scherp als vroeger. Daarnaast is ook mijn kennis over het openingsspel dusdanig vervaagd, dat ik vaak al naar zo’n zet of tien moet ‘vechten’ voor een goede stelling. Om toch nog enige kans te maken, speel ik eigenlijk altijd snelschaak (voor de hele partij 3 minuten per persoon plus 2 seconden erbij voor iedere gedane zet). Hiermee probeer ik ‘cheaters’ te ontlopen. Computers kunnen tegenwoordig namelijk alle schaakzetten bedenken. Sommige schakers weten daar zelfs tijdens het online spelen gebruik van te maken.

Wisten computers destijds (1997) Kasparov weleens te verslaan, de huidige wereldkampioen, Magnus Carlsen, is zo’n fenomeen, dat hij zich niet laat verschalken. Hij wordt niet voor niets de ‘Mozart van het schaken’ genoemd. En ook al heb je wat minder met het schaakspelletje, dan nog kan ik de boeiende documentaire ‘Magnus’ over hem aanraden. Je vindt ‘m nu hier.

Niet minder interessant is het om de komende jaren de schaakfamilie Van Foreest te volgen. In de documentaire ‘de Stelling van Foreest’ zie je hoe de kinderen (vier jongens en klein meisje) onderwijs krijgen van hun ouders (niet naar school gaan dus) en worden opgevoed om als schakers succesvol te worden. Hier heb ik wel af en toe tenenkrommend naar zitten kijken. De documentairemakers misten in mijn ogen enkele kansen om dieper op het wel en wee van de kinderen in te gaan. Had graag van de kinderen zelf iets meer gehoord. Desalniettemin een bijzonder verhaal. De twee oudste broers Jorden en Lukas spelen op dit moment in de Challengers Groep van het Tata Chess Tournament (voorheen: Hoogovens schaaktoernooi) en Magnus Carlsen natuurlijk in de Hoofdgroep ‘Tata Steel Masters’. Hierdoor heb ik het schaakvirus ook weer even te pakken. Deze partijen zijn tegenwoordig ‘Live‘ te volgen via de computer.

Waaraan bewaar ik zelf als schaker de beste herinneringen? Misschien toch de momenten dat ik vrienden verraste met feit dat ik het spelletje zo grondig beheers, dat ik ook kan blindschaken.  Zonder naar het bord te kijken, kan ik de zetten doen (doorgeven dus) en zie ik het bord als het ware voor me.  Zo zocht ik in mijn studententijd vaak onwetende opponenten om met ‘hoge’ inzet tegen mij te schaken (terwijl ik ‘blind’ speelde). Mijn beste vrienden kenden ondertussen mijn geheime wapen (lees: m’n verpeste jeugd waardoor ik heb leren schaken) natuurlijk. Als de inzet tot grote hoogte was opgelopen (soms zelfs tot heel vat bier) en ik door alle commotie (vaak speel je ongezien tegen de halve kroeg) niet meer exact wist, waar alle stukken precies stonden, dan had ik samen met m’n vrienden een truc bedacht.

Zij zouden dan ‘per ongeluk’ even tegen het bord aanstoten, waardoor wat stukken omvielen. Ik bood dan altijd aan om de stukken weer terug te zetten (had de stelling toch immers in mijn hoofd), maar kon dan ook direct m’n positie goed in mij opnemen. Op die manier kreeg ik alles weer scherp op vizier en maakte er dan met paar vernietigende zetten een eind aan, schaakmat en direct aan het bier!